Under construction 3-5-17
“V-Mannen” Bildergebnis fÃ���Ã�¯Ã�¿Ã�½Ã���Ã��Ã�¼r Tekening geheim agent


 

Inleiding:
Wanneer er in Enschede over de moord aan de Sumatrastraat wordt gesproken, alwaar één dag vóór de bevrijding, op 31 maart 1945, acht personen door de SD werden vermoord en dat deze moorden gepleegd konden worden omdat er verraad in het spel was, weten de meesten, die zich een beetje hebben verdiept in de geschiedenis van Enschede, in het bijzonder de oorlogsjaren, de naam van de verrader wel te noemen.
In mijn boek “Blonde Piet”, doe ik uitvoerig verslag van deze gebeurtenis, doch door de overvloed aan informatie met betrekking tot deze zaak, heb ik er tot op heden, op mijn website, geen aandacht aan besteed. Toch ontkom ik er nu niet aan om hier dieper op in te gaan, omdat dit deel uit gaat maken van de eerdere page “De vijanden van het verzet”
In dit geval gaat het om de gevaarlijke, voor de Duitsers werkende zogenaamde “V-Männer”. Eigenlijk bestaat dit “beroep” anno 2017 nog steeds. Ze werken als politieman of daarbuiten als een “Verdeckter Ermittler”. Met een “V-Mann” werd in de oorlog echter een “Vertrauensperson” bedoeld. Beide “beroepen” houden echter hetzelfde in; namelijk informatie inwinnen voor derden; zelfs door gebruikmaking van infiltratie in een organisatie. Heden worden deze werkzaamheden, volgens mij, alleen in uiterste noodzaak toegepast en is dan ook aan strenge regels gebonden.

Maar in de oorlogsjaren, maakte het niet uit hoe je het deed, alleen de resultaten werden geteld. Dat je, om zulke werkzaamheden te kunnen doen, in het bijzonder in de oorlogsjaren, een bepaalde mentaliteit moest hebben, lijkt me wel duidelijk.
1.    Je moet gewetenloos en meedogenloos zijn.
2.    en moet tevens vindingrijk zijn, om je aan de omstandigheden aan te kunnen passen.
3.    Daarom moet je ook over een enorme fantasie beschikken,
4.    maar daarbij te allen tijde de controle bewaren en weten tegen wie je wat hebt gezegd.
5.    Je moet overtuigd zijn van je nieuwe identiteit en als je daarna gevraagd wordt zonder enige twijfel daarover spreken. Je moet als het ware “superieur” aan die ander zijn en je in de andere persoonlijkheid ingeleefd hebben.
6.    Je moet niet bang zijn. Je moet je er steeds van bewust zijn dat je leven er van af kan hangen, als je door de mand zou vallen. Er is niets miezerigs dan een verrader te zijn. Dat wordt eigenlijk door niemand gewaardeerd. Vaak ook niet door je eigen bazen.
Punt één was in de oorlogsjaren voor een V-Mann toch wel het belangrijkste. Als het er op aan kwam was het jij of die ander, die het leven zou laten. Medelijden of mededogen was er niet bij.
Dat je bij de Duitsers niet zo maar als V-Mann werd aangenomen is als voorbeeld hieronder te lezen, zijnde een gedeelte ontleend aan de boekwerken:
“Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog” 1939-1945 Deel 5
tweede helft O.a. de pagina´s 876, 883 Betreffende Carl Ludwig Huschka”
 
Om de werkzaamheden van de geheime diensten in Engeland te bestrijden werden z.g. “Abwehrstellen” opgericht. Deze hielden zich bezig met de contraspionage, door het oprollen van verbindingseenheden, die met hun zend/ontvangers in bezet gebied berichtgevingen van- en naar Londen verzorgden.

Zelf probeerde deze dienst, bewust foutieve berichtgevingen te versturen en gecodeerde berichtgevingen te ontcijferen. Als het al helemaal niet lukte, werden opzettelijk storingen veroorzaakt, zodat berichtgevingen, vanuit- en naar bezet gebied, onmogelijk werden gemaakt. (Englandspiel).
Maar de Abwehrstellen hielden zich ook bezig met het infiltreren in- en het oprollen van- illegale organisaties zoals de Onderduikersorganisaties en het verdere actieve verzet, zoals de z.g. pilotenlijnen.
 
We gaan het in deze hebben over de Abwehr III en dan speciaal de afdeling III F.

De leiding van deze afdeling werd in augustus 1941 toevertrouwd aan Oberstleutnant Hermann Josef Giskes.

 
Links Giskes gedurende de bezettingsjaren. Rechts Giskes na 1945.

Hij was de zoon van een tabakshandelaar uit Krefeld en had, nauwelijks achttien jaar oud, in 1914 bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog als vrijwilliger dienst genomen in het Duitse leger en in 1938 op verzoek van de Abwehr-officier Hauptmann Von Feldmann een positie bij de Abwehr aanvaard.
Al in 1940 bewees Giskes in bezet Parijs bijzonder bekwaam te zijn op het gebied van de contraspionage, en toen de chef van III F in Nederland in de zomer van 1941 door een hartaanval werd uitgeschakeld, volgde Giskes hem op.


Giskes was een conservatieve Duitser, geen nationaal-socialist, maar evenmin een tegenstander van het regime. Men krijgt van hem de indruk dat hij zich, als zo velen, eigenlijk nauwelijks afvroeg, in welk politiek kader hij zijn arbeid verrichtte; een belangrijke Abwehr-taak was hem toevertrouwd en hij stelde er een eer in, die taak te verrichten tot volle tevredenheid van zijn superieuren, de hoogste, Hitler, inbegrepen.
 
Eigenlijk kan men in diezelfde geest schrijven over de chef van het Referat IV E van Harsters staf,


Op de foto Schreieder tijdens de rechtszaak in 1949 te Leeuwarden.

Kriminaldirektor Joseph Schreieder, die in het kader van het Englandspiel tot een harmonische samenwerking met Giskes kwam.
Die samenwerking was geen toeval. De twee Duitse leiders van het Englandspiel hadden veel gemeen. Twee jachthonden waren het, buitengewoon ijverig, buitengewoon vindingrijk en beiden opgaand in hun werk dat zij als een fascinerend avontuur ondergingen.
Schreieder, die in 1904 in München werd geboren, was een jaar of acht jonger dan Giskes. Hij was de zoon van een machinist en trad, toen hij negentien was, in de Beierse hoofdstad bij de politie in dienst. In 1932 kwam hij bij de Politische Abteilung terecht en onder het Naziregime maakte hij snel verdere promotie. In mei 1933 werd hij in de SS opgenomen. Pas vier jaar later, in 1937, werd hij lid van de NSDAP. In mei 1940 kreeg hij onder Harster de verantwoordelijkheid voor de contraspionage in Tirol en Vorarlberg. Nadat Harster tot Befehlshaber van de Sicherheitspolizei en van de Sicherheits Dienst (SD) in bezet Nederland benoemd was, liet hij Schreierder naar Den Haag detacheren.
 
Zowel Schreieder als Giskes dienen wij in de eerste plaats te zien als begaafde politionele technici. Maar hoe groot hun begaafdheid ook was, zij waren in de praktijk van hun werk aangewezen op de hulp van Nederlandse verraders, V-Männer, die er hun beroep of nevenberoep van maakten, informaties over illegaal werk aan Giskes en Schreieder door te geven en zich in hun opdracht steeds dieper door te dringen in de illegale groepen waarmee zij in contact gekomen waren.
Wel werden die V-Männer (soms V-Frauen) door Giskes en Schreieder gedirigeerd.
 
Toen Giskes in augustus 1941 zijn functie in Den Haag aanvaardde, trof hij daar onder de Abwehr III F slechts een groepje V-Männer aan waarvan hij later schreef:
“Vier NSB’ers, die door een vent van bijna zestig, kaal, vet, met enigszins waterige ogen en ietwat suffig’, geleid werden”.
Dit gezelschap dat als “Das Hausorchester” aangeduid werd, had als dirigent een zekere J.F.C. Hoosemans, een Tilburgenaar, die overigens, toen Giskes kennis met hem maakte, niet ‘bijna zestig’ was maar reeds drie-en-zestig jaar oud was.
Hoosemans was in juni 1940 in dienst getreden van III F Niederlande. Vanuit zijn bureau aan de Gentschestraat te ’s-Gravenhage begon hij eind 1940 een aantal V-mannen te rekruteren.
Hooseman s’ V-Männer hadden al enkele successen geboekt: zo had één van de vier, de Leidse pikeur G. Stellbrink, verscheidene aspirant-Engelandvaarders aan de Duitsers verraden, onder hen een jeugdige Amsterdammer, J.C. Ligtvoet, die met allerlei spionagemateriaal naar Engeland had willen vluchten.
Toch had Giskes maar weinig vertrouwen in het ‘huisorkest’. De leden liepen bij de Abwehr in en uit en Giskes nam dan ook aan dat zij daarom al lang door de tegenpartij, gesignaleerd waren. Te meer naar aanleiding van een schietpartij in Haarlem, waaruit zou blijken dat de groep bij het verzet bekend was geworden en verdere liquidaties niet uitgesloten konden worden.
Daarom gaf Giskes aan Hoosemans en zijn mannen te kennen dat hij geen vertrouwen in hen had en daarom niet met hen samen wilde werken.

Oprichting voorgeschobene III F1
In januari 1942 kwam men tot de oprichting van de Vorgeschobene III F1 aan de Ubbo Emmiussingel te Groningen onder leiding van Oberleutnant Werner König (alias Doktor Werner); König ´s plaatsvervanger werd Leutnant U.J.W. Schwartz (alias Doktor Udo Schulte).
Daar vonden een aantal V-mannen van de z.g. ‘Hauskapelle’ onder leiding van eerder genoemde Jos Hoosemans (alias Oncle Max, Van Mierlo en Oncle Jean) een arbeidsplek. Zijn Abwehr-cartotheekkaart vermeldde (met ingang van 1 februari 1942) de agentennaam Mees en zijn V-mannummer: E 840. Andere V-mannen waren J. Boegheim, de pikeur G. Stellbrink, de garagehouder E.H.F. Passier (alias Buskes en Zwaan), H.Th. Jongman (alias Van Swieten), K.E. van Charente, de elektricien P. Rothert, de kelner C.L. Huschka (alias Schreuder, Van der Voort en Van Rooyen), J. Gerrits (alias Groeneveld), de vertegenwoordiger C.J. van der Burch (alias Cor Ederveen), de fotograaf B.R. Maassen (alias Van Iersel) en caféhouder W. Markus (alias Willy van Erp).
De groep van Hoosemans kon voor hun aliassen gebruik maken van ongeveer vijftig, door de burgemeester van Smilde, aan de Abwehr III F verstrekte persoonsbewijzen.
Genoemde Carl Ludwig Huschka, die voor de oorlog kelner in Arnhem was geweest oefende dit beroep, in het begin van de bezetting tevens in Amsterdam uit.

Vanuit Groningen infiltreerden deze “V-Männer” opnieuw in de illegaliteit, wat resulteerde in het zogenaamde “Hannibalspiel”. Dit spel leidde tot de uitschakeling van een deel van de inlichtingengroepen Luc, Erkens en Clarence.
-In dit “Hannibalspiel” komt de naam van Carl Huschka reeds als actief “V-Mann” om de hoek kijken. Dat was dus reeds in de zomermaanden van het jaar 1941-.

Over Carl Huschka:


Carl Huschka (één van de twee) "plannen makend?" op straat. 

Dat Huschka sympathieën had voor de Duitsers komt misschien wel omdat zijn opa een Duitser was, genaamd: Carl Ludwig HUSCHKA Geboren: 08 februari 1852 Vital, Appeldorn, Rheinland, Preussen.
Zijn vader was: Karl Ludwig Huschka en was gehuwd met Theodora Sweers.
Carl werd op 20 juli 1907, in Arnhem geboren. Hij had geen gemakkelijke jeugd. Zijn moeder leed aan een psychische aandoening en hij werd door zijn vader geslagen. Dit werd op het laatst zo erg dat de kinderbescherming besloot om Carl uit huis te plaatsen. Hij werd ondergebracht op een boerderij en bleef daar wonen tot zijn twintigste levensjaar.
Na een mislukt huwelijk besloot Carl naar Amsterdam te verhuizen waar hij in een café ging werken. Na de bezetting geraakte Carl, in Amsterdam, al snel betrokken in het duistere milieu van zwarthandelaren en overige provocateurs en fungeerde eerst als tipgever voor de Amsterdamse politie, maar later deed hij dit voor het Duitse leger. Deze, door hem gedane, “werkzaamheden” waren niet in het belang van de Nederlandse bevolking. Maar kennelijk hield hij over deze zaken zijn eigen waarden en normen er op na. Uiteindelijk infiltreerde hij meerdere keren in Nederlandse verzetsgroepen. Dit ging hem kennelijk goed af, door zijn uitstraling en mooie praatjes, die bij velen toch vertrouwen inboezemden. Zijn tactiek was om via de zwakste schakel binnen een groep een ingang te vinden. Zo gaf hij aan dat hij dubbelspion was, die net deed alsof hij voor de Duitsers werkte maar in werkelijkheid in het verzet zat.
www.niod.nl

Giskes:
We gaan even terug naar Giskes, die voor de bestaande V-mannen, die overgegaan waren naar de Abwehrstelle Willhelmshafen, Nebenstelle Groningen, bij hem in de afdeling geen plaats hadden gekregen. Giskes stelde er namelijk prijs op, zijn afdeling geheel nieuw op te bouwen. Hij trok twee Duitsers aan, dr. W. Bodens en W. Kup, die als speciale taak kregen, naar geschikte V-Männer uit te kijken. Beiden spraken vloeiend Nederlands. Bovendien bracht hij uit Parijs een medewerker mee, genaamd R. Christmann (‘Arno’), die gespecialiseerd was in het penetreren van organisaties voor ‘pilotenhulp’.
Het was Kup die Giskes in contact bracht met de V-Mann die bij de aanloop tot het “Englandspiel” een belangrijke rol zou spelen. Dit was M.A.G. (‘George’) Ridderhof.
Ridderhof, in 1895 in Amsterdam geboren, was koopman van beroep.

 

Abwehrstelle Willhelmshafen, Nebenstelle Groningen:
De eerste groep, die al snel het slachtoffer (gedeelte van het “Hannibalspiel”) werd van deze V-Männer was de verzetsgroep ‘Roodkapje’, in welke groep reserve-luitenant Nicolaas Erkens een actieve rol speelde. In de zomer van 1940 kwam hij in contact met een Belgische verzetsgroep; via die Belgische groep kreeg hij later verbinding met een Franse en werd Erkens reeds als één van de organisatoren van de ‘pilotenhulp’ gezien.
Hij was op illegaal gebied overigens van alle markten thuis. Zo richtte hij een groep op om legervoorraden uit handen van de Duitsers te houden. Hij bevorderde sabotage en hij stichtte ook plaatselijk hier en daar aan de OD verwante organisaties.
Uiteindelijk concentreerde hij zich alleen op de pilotenlijn en konden door zijn toedoen, tot de herfst van 1942, enkele honderden personen vanuit Nederland naar Frankrijk ontsnappen.
Begin 1942 slaagden enkele V-mannen van de Marine Abwehrstelle Wilhelmshaven, er in om in een illegale groep in Leeuwarden te inï¬ï¿½ltreren. Na verder speurwerk door deze mannen, kwamen zij uiteindelijk uit bij Th. Groen in Den Haag. Groen was voornemens met M. Wessel uit Amsterdam naar Engeland uit te wijken. Wessel had namelijk van een vriend gehoord dat er bij Eijsden, in Limburg, een mogelijkheid bestond de Nederlandse-Belgische grens te passeren. De vriend had samen met een zoon van fruithandelaar Smeets een opleiding tot marconist gevolgd in Amsterdam. Op goed geluk vertrok Wessel begin januari 1942 naar Eijsden. Daar wachtte hem een teleurstelling: hij kende de code (Alphons 13) niet en niemand van “de organisatie Erkens” had hem gestuurd. De Amsterdammer keerde onverrichterzake huiswaarts, maar liet het er niet bij zitten. Een maand later verscheen hij opnieuw in Eijsden. Kennelijk vertrouwde Smeets hem nu wel. Zijn vriend Th. Groen mocht ook komen en op 15 februari 1942 vertrok het tweetal langs de bekende route via Luik en Heer-Agimont naar Frankrijk. Ter hoogte van de demarcatielijn liep het mis. De Geheime Feldpolizei arresteerde de twee. Na een kort verblijf in de gevangenis, werden Groen en Wessel teruggestuurd naar Nederland. “Ze hadden niets losgelaten.”

Opmerking: Dat ik “kort verblijf” en “ze hadden niets losgelaten” onderstreep, daarover moet u zelf maar eens nadenken.
In mei 1942 vroeg Wessel aan Smeets of hij voortaan andere Engelandgangers naar Eijsden mocht sturen. Smeets had geen bezwaar en sindsdien reisde Wessel verscheidene malen naar Zuid-Limburg, waar hij op zekere dag ene “Van der Maas” (schuilnaam van Erkens) ontmoette.

Maar dan komt het:
In diezelfde tijd kreeg zijn vriend Groen bezoek van enkele mannen van de Abwehrstelle Wilhelmshaven. Groen hechtte uiteindelijk geloof aan de gladde praatjes van deze V-mannen en bracht gedetailleerd verslag uit van zijn avonturen tijdens zijn reis naar- en door Frankrijk. Hij noemde hun zelfs het wachtwoord “Alphons 13” en de naam “Van der Maas”. Hij had deze informatie van Wessel gekregen.
Opmerking: Waarschijnlijk heeft dit contact te maken gehad met het korte verblijf in arrest. Voor wat hoort wat.
In ieder geval hadden de V-mannen beet. Eind juli 1942 stuurde de Abwehrstelle de V-man G. Stellbrink naar Eijsden. Hij vervoegde zich bij Smeets met het wachtwoord en maakte handig gebruik van de namen Wessel en “Van der Maas”. Smeets hechtte geloof aan het verhaal van de “illegale werker” en zegde zijn medewerking toe. Al spoedig keerde Stellbrink terug met een “Engelse piloot”, die hij persoonlijk naar Zwitserland wenste te brengen. Het betrof in werkelijkheid de Duitse ingenieur L. Kern, die met een Nederlandse gehuwd was, vrij goed Nederlands en Engels sprak en derhalve geen achterdocht wekte.
Smeets verschafte het tweetal Belgische identiteitspapieren en bracht hen naar een medewerker van Renkin in Visé.

In Luik kregen ze onderdak bij mevrouw Y. Debatty-Tonka en mevrouw Ch. Derenne-Lamazière. Nadat de organisatie “Luc” voor Franse papieren had gezorgd, vertrokken de twee infiltranten zonder begeleiding naar Frankrijk. Over de te volgen route waren ze in Luik ingelicht. Via Nancy reisden ze naar de Zwitserse grens, waar Kern afhaakte.

Stellbrink kon tevreden zijn: hij was méér aan de weet gekomen dan hij had durven hopen. Niet alleen vluchtelingen maakten gebruik van deze route, óók inlichtingen vonden zo hun weg naar onbezet gebied. De Abwehrstelle Wilhelmshaven wilde precies weten om wat voor geheime informatie het ging.

Omdat Stellbrink de Franse taal niet beheerste en de organisatie van Renkin hoofdzakelijk in Wallonië werkte, kreeg hij steun van een Franssprekende V-man, J. Hoosemans, die zich van de schuilnamen “Oncle Max” en “Oncle Jean” bediende.

-Hoosemans werd eerder door Giskes voor de afdeling Abwehr III afdeling III F, te licht bevonden, maar was kennelijk bij de huidige afdeling waardevol te gebruiken.-


Het duo genoot al spoedig veel vertrouwen, drong via Renkin door tot Goffin en werd door Erkens en Renkin belast met het over de grens smokkelen van inlichtingen. Wilhelmshaven fotografeerde het materiaal aanvankelijk in Groningen en naderhand, met het oog op tijdsbesparing, in Maastricht. Op aandringen van de twee besloot mevrouw Debatty-Tonka zelfs een groter huis te huren voor de opvang van “piloten”, krijgsgevangenen en andere vluchtelingen. Zij gingen er zelf ook wonen en kregen zo een goed inzicht in de activiteiten van de drie samenwerkende verzetsgroepen.

Zo vernamen ze dat er in Rotterdam een organisatie bestond, waarvan dezelfde “Van der Maas” aan het hoofd stond. De echte naam van “Van der Maas” kenden ze niet. Om in deze Rotterdamse groep te infiltreren zette Wilhelmshaven haar V-man C.L. Huschka in.
Hoewel naderhand van diverse zijden is gewezen op een groeiend wantrouwen jegens de twee infiltranten in Zuid-Limburg en de regio Luik, moeten we vaststellen dat er gedurende de periode dat de twee het samenwerkingsverband infiltreerden nooit iets tegen hen is ondernomen. Erkens had kennelijk een onwankelbaar vertrouwen in de Abwehrmedewerkers.

Op 17 en 18 augustus 1942 werden achtereenvolgens Groen en Wessel gearresteerd. Door de aanhouding van Wessel hoopte men te achterhalen wie “Van der Maas” was en waar hij woonde, maar Wessel wist dat niet.

In opdracht van zijn chef, W. König in Groningen, trachtte Huschka een misleidings- spel op te zetten. Kennelijk had Huschka in Rotterdam een ingang in een verzetsbeweging waar Elizabeth M. van Bochove-Bruggeman deel van uitmaakte.
-Ze was als werkster, tevens als kantine- juffrouw van de etappen-intendance te Rotterdam werkzaam en sloot zich reeds kort na de capitulatie, in mei 1940, aan bij een kleine daaruit gevormde verzetsgroep, die zich ten doel stelde militaire inlichtingen in te winnen en naar Engeland door te geven, zomede sabotagedaden te plegen. De vele gegevens welke door haar in Rotterdam werden ontvangen, bracht zij naar de leider van deze groep, telkens naar andere plaatsen in het land-.

Huschka vertelde haar dat Stellbrink een infiltrant was. Door deze “V-man” Stellbrink als lokaas te gebruiken verwachtte Huschka “Van der Maas” uit zijn tent te kunnen lokken. De opzet mislukte, mevrouw Van Bochove ging er niet op in.

-Hieruit blijkt dat Huschka reeds in deze verzetsbeweging was geïnfiltreerd, zich voordeed als iemand die voor de verzetsorganisatie wilde werken en zelf goede informatie kon verschaffen. Hij hoopte via haar bij de man achter de schuilnaam “Van der Maas” te komen.
Ook Stellbrink is bij mevrouw Bochove als een goedwillende medewerker van het verzet bekend.
Of Stellbrink er achter is gekomen dat de Abwehr hem voor het verzet als lokaas gebruikte, weten we niet. In ieder geval is met deze actie de rol van Stellbrink als “V-Mann” in deze verzetsbeweging uitgespeeld. Hij kon verwachten dat de verzetsbeweging hem zou liquideren als hij zich nu niet terug zou trekken. Ook Hoosemans moest nu voor zijn leven vrezen. Daarom eisten ze van hun chef, König, dat er ter stond tot arrestatie zou worden overgegaan.

Eind 1942, werd het haar duidelijk dat de personen Huschka en Stellbrink, voor de Duitsers werkende infiltranten waren, omdat zij gevangen genomen werd. Zelfs, ondanks mishandeling en ook bedreiging met vergaande represailles tegen haar vier kinderen, van wie er drie daadwerkelijk zes weken gevangen werden gezet, bleef ze zwijgen, door haar betrokkenheid en alle verrichtingen van de groep, welke haar bekend waren, hardnekkig te bleef ontkennen. (Kruis van Verdienste K.B. no. 29 van 12 mei 1951)
De Duitsers maakten met haar niet direct korte metten door haar ter dood te brengen. Ze bracht het grootste gedeelte van de bezettingsjaren door in verschillende gevangenissen in Nederland, daarbij hopende dat zij toch op een dag door zou slaan. Maar dit was niet het geval. Ze bleek een hoog moreel te bezitten. Uiteindelijk, begin maart 1945, werd zij naar het Nacht- und Nebellager te Mauthausen gebracht en daar ingesloten. In april 1945 werd ze door de zorg van het Rode Kruis naar Zwitserland gebracht en kon van daar uit weer naar Nederland terugkeren.
In de maanden augustus 1942 tot oktober 1942 werden in Limburg en elders in het land vele verzetsmensen opgepakt. In eerste instantie ontkwam de leider Erkens nog, maar werd door een inbeslaggenomen brief, de werkelijke naam van “Van der Maas” bekend. Dit was Erkens. Al snel werd ook hij gearresteerd. Twaalf personen werden ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Velen kwamen om in concentratiekampen.
Dit was alweer een ronde zaak voor Carl Huschka, waarin hij een belangrijke rol had gespeeld: Amsterdam was voor hem bekend werkterrein, alsmede Rotterdam en omgeving. Maar ook in Groningen en heel Noord Nederland.
Want vanuit Groningen werkte hij nu landelijk bij de “Abwehrstelle Willhelmshafen “Nebenstelle Groningen“. Zoals gezegd was zijn baas was dr. Wener König.

Hieronder een bericht uit het Winschoterarchief.nl:
Verraden door Hoeska:
Het bericht begint met een woord van kritiek, dat mijns inziens op zijn plaats is. Want de voorstelling van zaken waar de “V-mannen”, mee kwamen, waren vaak te mooi om waar te zijn.
Hieronder de tekst die ik heb overgenomen:
Het is onvergeeflijk hoe men in deze kring een buitenstaander introduceerde.
Hij noemde zich een Amsterdammer, pronkte met "Vrij Nederland".
Hoeska, was een zekere Carel Ludwig Huschka, die op ruim 30-jarige leeftijd ons land onveilig maakte, hij trad op als de verrader van het Nederlandse verzet.
Vijf Winschoters verlo­ren door zijn toedoen het leven na hun deportatie naar het concentratiekamp en een ellendig verblijf aldaar."
Dit waren: drs. Du Croix, A. Jansen (stationschef van OG), Franz du Pre (kelner bij Dommering), Ant Wouda (gepensioneerd) en W. Dresselhuis (winkelier) werden door de Duitsers gearresteerd.

Het geval van Jan Berend van Delden.
Geboren te Enschede op 24 oktober 1920
Omgebracht in Kamp Vught op 5 september 1944 op een leeftijd van 23 jaar

Samen met zijn vriend Joan Gelderman was Jan Berend van Delden; beiden studeerden ze geneeskunde in Groningen; tijdens de bezetting actief in de Je Maintiendrai-groep. Deze verzetsgroep gaf een illegale krant uit, verzamelde inlichtingen en hielp neergeschoten geallieerde vliegtuigbemanningen.

Via anderen in het verzet kwam Jan Berend van Delden in contact met de V-man Huschka, die onder de schuilnaam Schreuder het vertrouwen van Jan Berend wist te winnen. Doch Jan Berend verloor zijn aanvankelijk vertrouwen in Schreuder en verstrekte hem valse informatie. Samen met Joan probeerde Jan Berend de verrader Schreuder en diens chef Choranta (Charente) om het leven te brengen, maar daarvoor deed zich nog geen goede gelegenheid voor. (Ook genoemd in het boek: In Losser is niets gebeurd.)
Toen Jan Berend op 24 februari 1944 een afspraak had met Huschka op het Centraal Station in Amsterdam merkte hij dat het station was afgezet en daarom wist hij te verdwijnen. Toch liep hij wat later in een val en werd naar Kamp Vught overgebracht, alwaar hij op 5 september 1944 door een vuurpeloton om het leven werd gebracht. Een dag daarvoor werd Jan´s vriend Joan daar al om het leven gebracht. Bron: De Illegaliteit, Illegaliteit in Twente en het aangrenzende Salland, Coen Hilbrink, pagina’s 208 en 209

Van Charente werd op 1 juli 1942 als V-man, nummer E 842, ingeschreven bij III F van de Abwehstelle Wilhelmshaven. Op zijn cartotheekkaart stond vermeld dat hij eerder in dienst was geweest bij de Abwehstelle Münster, maar bijzonderheden daarover konden na de oorlog niet worden gevonden. Al spoedig kreeg hij rechtstreeks opdrachten van Kapitänleutnant Doktor Helmuth Meyer, Leiter III F.
Na het oprollen van de vluchtlijn in het kader van het “Hannibalspiel” hield Meijer zich onder andere bezig met het ontdekken van andere lijnen en daarbij kwam Van Charente van pas. Deze agent was daarna verantwoordelijk voor de arrestatie van diverse aspirant-Engelandvaarders.
Van Charente werd op 11 juli 1945 in Amsterdam gearresteerd. Wegens verraad, onder andere van Gelderman en Van Delden, werd hij op 23 juli 1949 tot de doodstraf veroordeeld; die straf werd op 14 december 1950 omgezet in levenslang. Op 31 oktober 1951 werd het vonnis veranderd in twintig jaar en terbeschikkingstelling van de regering. Bij Koninklijk besluit van 14 augustus 1953, nummer 43, werd zijn straf met een jaar verminderd.

Reorganisatie in de Abwehr in de twee helft van het jaar 1944.
Omdat arrestaties ten gevolge van het “Hannibalspiel” het belangrijkere “Englandspiel” van Giskes en Schreieder in de weg zaten, werd het werk van de Vorgeschobene III F teruggedrongen naar Wilhelmshaven. Daar werd het Marine Sonderkommando Nord onder commando van de Korvettenkapitein Helmuth Meyer opgericht.
Eind 1944 kwam de Abwehrstelle toch weer terug in Nederland. H. Meyer vestigde zijn hoofdkwartier ditmaal te Hengelo, aan de Enschedesestraat 305. 

De Außenstelle (Meldekopf) Groningen stond onder het commando van Oberleutnant Schauenburg, De Außenstelle (Meldekopf) Zwolle met ingang van 19 februari 1945 onder commando van Oberleutnant T. Morstein-Marx en de Außenstelle (Meldekopf) Uedem (Dl) met ingang van 15 januari 1945 onder commando van Oberleutnant Ulrich Schwartz en was gevestigd in Gasthaus Franken in de Keppelnstraße. In februari 1945 werd deze eenheid verplaatst naar Aldekerk en van daar naar Diersfort.
Meyer had verantwoording af te leggen aan de Marinehafenüberwachungsstelle Nordsee, gevestigd aan de Veerkade te Rotterdam.
De algemene taak was het beschermen van marine-belangen in Nederland en het Sonderkommando behoorde daartoe relevante informatie uit te wisselen met Von Feldmann. Volgens deze laatste was Meyer echter weigerachtig in het delen van vergaarde gegevens.
In de tweede helft van december 1944 kreeg Ludger Abts van zijn chef Meyer opdracht één van diens agenten in te zetten als linecrosser (Het overschreiden van de demarcatielijn, naar geallieerd gebied) In dit geval was dit dus een verschuiving van contraspionage naar een spionagetaak.
J.E. van Iersel was als bakker werkzaam te Wilhelmshaven en verstrekte Abts gegevens over daar in werkkampen verblijvende dwangarbeiders.
Op oudejaarsdag 1944 vroeg Abts hem of hij de linies wilde oversteken om daar gegevens te verzamelen. Van Iersel stemde toe en hij werd naar Hengelo overgebracht. Vervolgens werd hij door Abts en Meyer per auto naar Rotterdam gebracht, waar hij door Kapitänleutnant Buschkemper werd geïnstrueerd. Begin januari 1945 werd hij door Duitse mariniers het Hollands Diep overgevaren; het was de bedoeling op de landingsplaats een zaklantaarn te verbergen om daarmee drie dagen later driemaal een kort lichtsignaal te kunnen geven ten einde weer naar het noorden te worden vervoerd. Hij werd echter door een wantrouwige boer naar een Britse legerpost gebracht en daar gearresteerd.

Abwehrafdeling Uedem naar Rotterdam.
Omdat de geallieerden in aantocht waren, werd eind maart 1945 de afdeling Uedem en daarmee ook Ulrich Schwartz, overgeplaatst naar Rotterdam.
Door bemiddeling van A.J. Tresfon, een contactman van Meyer, betrok deze dienst vervolgens op 3 of 4 april 1945, (Enschede was reeds 3 dagen door de geallieerden bevrijd) een villa aan de Oudorpweg 33 in Kralingen. Dat onderkomen was niet alleen als kantoorpand bedoeld. Voor Schwartz en zijn staf was het ook hun woning.
Schwartz had natuurlijk agenten nodig. Daarom stuurde Meyer op 5 april 1945 J.A. Izaks, Geelen en Abts, die met de fiets vanuit Amsterdam in Rotterdam aankwamen.

Voorbereidingen, door het verzet, voor een overval op het kantoorpand in Kralingen:
Er werd door het verzet besloten een overval op dit pand te plegen, ten einde de aldaar aanwezige informatie te bemachtigen en door te spelen naar de geallieerden.
Tresfons secretaresse Kitty van der Have was die dag (5 april 1945) jarig en besloten werd op de nieuwe Außenstelle een feestje te geven. Daar aanwezig waren Tresfon, Oberfunkmeister Georg Hofmann, Abts, Kitty en Obergefreiter Johann Grill. Deze laatste was een vriendje van Kitty en had haar bloemen gebracht. Hij stelde Schwartz echter tevens op de hoogte van een door de illegaliteit voorgenomen aanval op de Außenstelle; dit had hij van Kitty gehoord die in contact met de ondergrondse stond. Schwartz geloofde het verhaal maar half doch vroeg de Marine Hafenkommandant toch om toewijzing van een bewakingseenheid. ‘Ik wees deze mensen die avond, toen het donker werd, een post aan in de nabijheid van de villa.’ Later op de avond verschenen Izaks en Geelen nog op het feest, maar Schwartz vroeg hen in verband met de mogelijke aanval weer te vertrekken; daarop verdwenen ze.

‘Die avond, te 11.08 uur, viel het eerste schot en bleek mij [Schwartz] dus dat Grill niet overdreven had.’ De journalisten Scherphuis en Verhey beschrijven Kitty van der Have uitgebreid in Vrij Nederland en daarom kan worden volstaan met te vertellen dat bij de overval een lid van de Landelijke Knokploegen (LKP) dodelijk gewond raakte en op 9 april 1945 overleed.
-De LKP verdacht Kitty van verraad maar kon haar pas na de bevrijding verhoren, omdat ze met de hulp van Izaks met Schwartz in Amsterdam was ondergedoken.

Op 5 juni 1945 bekende ze tegenover leden van de LKP haar verraad en die avond werd ze geliquideerd; haar lijk werd zes dagen later gevonden in twee aan elkaar genaaide en met stenen verzwaarde zakken in het Boerengat: een gebruikelijke vorm van ‘stille liquidatie’. Het is overigens zeer de vraag of ze verraad heeft gepleegd in de zin die daaraan wordt gegeven. We hebben hier slechts de verklaring van de liquidatieploeg voor, waaronder de latere doctor H.J. Scheffer; naar de echte motieven kan slechts worden gegist-
De Duitsers en agenten bleven ongedeerd, al was het zaak de Außenstelle te verhuizen. Medio april 1945 gebeurde dat via het Westplein naar een ruimte boven de Cineac aan het Buitenhof in ’s-Gravenhage.

De Duitsers en de V-mannen vertoefden in die tijd veelvuldig in een pension aan de Schiedamschesingel. Aldaar was het kantoor van de koopman A.J.Tresfon  gevestigd in het pension van de weduwe Boekwijt, ook een fanatieke NSB´er, aan de Schiedamsesingel 165b in Rotterdam. Tresfon had daar ook een slaapkamer. De zoon van de weduwe L.C.A.D. Boekwijt, eveneens NSB´er, was voor de centrale Rotterdamse recherche geen onbekende. Die kennismaking met de politie was ontstaan door de volgende gebeurtenis. Boekwijt liep op een nacht in mei 1941 samen met een onderofficier van de Duitse Kriegsmarine over de Westersingel. Ter hoogte van het diaconessenhuis haalde deze Duitser plotseling een pistool tevoorschijn, richtte het wapen op een voorbijganger en schoot die neer. Het slachtoffer bleek een Joodse man genaamd A. Pinhashick, die even tevoren in gezelschap van de Duitse schutter en genoemde Boekwijt een café aan de Scheepstimmerlaan had bezocht.
Wie in het pension van mevrouw Boekwijt ook enige tijd een kamer bewoonde, was de beruchte, eerder genoemde V-Mann J.F.C.Hoosemans (Max)
Zijn spionageactieviteiten voor de Duitsers hadden reeds een aantal verzetsstrijders het leven gekost.
Een regelmatige bezoeker van dit kantoor was ook de eerder genoemde V-Mann C.L.Huschka (Karel). Mede als gevolg van zijn spionageactiviteiten werden in Enschede, op 31 maart 1945 (een dag voor de bevrijding!) 7 mannen en een vrouw door de SD doodgeschoten.
Ook de 29-jarige stuurman B.J.Nijhof, tevens NSB´er, was een bijna dagelijkse bezoeker van dit pension. Schwartz verklaarde na de oorlog over Nijhof dat deze hem eens had aangeboden om ten dienste van de Duitse Wehrmacht lieden te werven om door de linie naar (het inmiddels bevrijde) Noord Brabant te gaan om daar te gaan spioneren.
Ten slotte de belangrijkste gast van Tresfon was ongetwijfeld de eerder genoemde Korvettenkapitein Meyer. Tresfon was via Hoosemans met deze op spionagegebied fanatieke figuur in contact gekomen. Meyer was daarna al snel een bij Tresfon graag geziene gast geworden.
Samenvattend vormde Pension Boekwijt aan de Schiedamsesingel, bij wijze van spreken een duiventil van allerlei in- en uitvliegende NSB´ers, landverraders en tot de Kriegsmarine behorende Duitsers.
De overval, die werd gepland had tot doel om de aldaar aanwezige informatie te bemachtigen en deze te doen toekomen aan de geallieerden. Meer kunt u lezen in het door mij genoemde boek: “De laffe moord op Kitty van der have. Auteur J.A. Blauw.”

Contraspionage-afdeling Parijs is ook reeds teruggetrokken.
Ook de contraspionage-afdelingen ontkwamen niet aan de opdracht om reservenetwerken op te richten. Na de invasie in juni 1944 vertrok de contraspionage afdeling onder leiding van Major Adolf von Feldmann uit Parijs en ging op weg naar het noorden. In september bereikte hij Nijmegen en kwam vervolgens via Hengelo en Borculo in Enschede terecht. Eind maart 1945, kort voor de bevrijding van Enschede, vertrok het naar Duitsland, waar het in het westelijk deel van de provincie Hannover neerstreek.

Huschka actief in Enschede:
Nu de afdeling Küstenüberwachungsstelle Sonderkommando Hengelo, in de buurt van Enschede was gekomen, dook Huschka ook in Enschede op. Dit zal dus ook in de laatste maanden van het jaar 1944 geweest zijn.

Eigenlijk moest het toch voor de inlichtingenafdelingen van het verzet bekend zijn geworden dat een zekere Huschka (of Schreuder) al vanaf het begin van de oorlog zijn slachtoffers maakte. Zijn werkwijze was altijd hetzelfde gebleven. De zwakke schakel uit zoeken, daar het vertrouwen winnen en door “goede daden” te verrichten infiltreren. Maar kennelijk was dit niet het geval en kon Huschka ook in Enschede met zijn werk beginnen.
Ik denk zelf dat Huschka door zijn nieuwe chef, de Korvettenkapitein Helmuth Meyer, werd gestuurd om in de onderduikersorganisatie en in de inlichtingendienst in Enschede te infiltreren en zoals hij al vaker had gedaan, te komen tot arrestaties en het verzamelen van informatie, die tactisch van belang kon zijn voor de Duitse oorlogsvoering, tegen de geallieerden. Dus met een prioriteit naar de plaatselijke inlichtingendiensten.
Daarbij zullen zeker ook enige tactische zaken doorgesproken zijn, zoals iemand, die kennis van zaken zou kunnen hebben te arresteren en deze door toedoen van Huschka weer op vrije voeten te krijgen.

-Deze methode werd veelvuldig toegepast en u kunt hier op mijn site ook regelmatig over lezen. Bij veel verzetslieden gingen dan ook de “alarmklokken rinkelen”, maar natuurlijk waren er ook die alles geloofden wat Huschka hen te vertellen had-.

Ook onder politiemensen probeerde hij zo zijn contacten te leggen. Deze contacten waren veelal niet vrijwillig, maar onder andere door bedreiging van bijvoorbeeld het arresteren van familieleden enzovoort, werden zij gedwongen hun medewerking te verlenen in het verstrekken van de nodige informatie.

Het uitgangspunt van Huschka:

Café Monopole aan de Markt 11 in Enschede, was hét ontmoetingspunt van mensen die wat “te verhandelen” hadden; dus de zogenaamde zwarthandelaren. De cafe-eigenaar was G.J. Kolthof. Gezien zijn gedragingen en de contacten die Huschka in dit café had, was het voor Kolthof en zijn dochter, die eveneens in het café werkte, al snel duidelijk dat ze te maken hadden met iemand van de Sicherheitsdienst.
-Onder welke schuilnaam Huschka in Enschede werkte is mij niet bekend geworden. Ik noem hem hier Karel.-
Op 24 oktober 1944 werd de heer Kolthof bij een razzia gearresteerd en naar Duitsland afgevoerd.

-Deze razzia begon in de vroege ochtend. De Stad werd omsingeld en niemand mocht er meer in of uit. Groepjes Duitse militairen gingen vervolgens de stad in, op jacht naar mannen die in staat werden geacht om in Duitsland te kunnen werken.-

De dochter van Kolthof deed er alles aan om haar vader terug te krijgen en sprak Huschka aan, over het feit dat haar vader naar Duitsland was afgevoerd. Huschka zegde toe dat hij zich in zou zetten, om haar vader vrij te krijgen. Vervolgens ging Huschka, persoonlijk naar Ochtrup in Duitsland en haalde Kolthof daar uit de gevangenis. Om verdere moeilijkheden te voorkomen, kreeg Kolthof van Huschka tevens een "Ausweis".

-Wat de reden van de arrestatie van Kolthof was, is mij niet bekend geworden. Als hij in Ochtrup ingesloten werd, was hij niet opgepakt voor de “Arbeitseinsatz”. Was dit een voorop gezet plan geweest om ook Kolthof bij de razia te arresteren en nadien hem als opstapje te gebruiken?-

Kolthof, die door dit handelen een zeer goede indruk van Huschka had gekregen, vertrouwde hem nu blindelings en bracht Huschka in contact met zijn neef, Gerrit ter Borg, een medewerker van de Landelijke Onderduikers Organisatie.
Voor Huschka was het eigenlijke werk om de organisatie in Enschede op te rollen nu begonnen. De plaatselijke leider van de L.O. (Landelijke Onderduikersorganisatie), Piet Zandbergen, kon zijn werkzaamheden voor de L.O. moeilijk vervullen, omdat hij niet beschikte over papieren, die vrij reizen mogelijk maakte. Toen hij van Gerrit ter Borg een "Ausweis" kreeg, waarvan Gerrit zei dat dit van Huschka afkomstig was, kon Zantbergen zijn werkzaamheden weer optimaal vervullen. Deze L.O.leider kreeg daarom ook honderd procent vertrouwen in Huschka. “Waarom zou Huschka zoiets doen? Hij is zeker een dubbelspion, die aan “onze" kant staat”, zullen Ter Borg en Zantbergen gedacht hebben. Gerrit ter Borg was er helemaal van overtuigd dat Huschka hen bij zou staan wanneer er problemen zouden ontstaan.
Op deze wijze wist Huschka het vertrouwen te winnen van de belangrijkste figuren van de Enschedese L.O. Zij beseften op dat moment niet dat Huschka, door het willekeurig verstrekken van "Ausweisen", langzaam alle touwtjes in handen begon te krijgen.
Huschka, was echter nog niet klaar met zijn werk binnen de LO. Hij had al vrij redelijk deze Onderduikers-organisatie in kaart gebracht en kon, als hij zou willen, zijn chef Dr. Meyer toe laten slaan. Maar Meyer kennende wilde deze meer. Bij de L.O. leden ging het allemaal vrij simpel, maar Meyer wilde ook doordringen in de inlichtingendiensten. De L.O. wilde hij daarvoor alleen als "opstap" gebruiken. Daarom verlegde hij zijn werkterrein naar het opsporen van zendgroepen die voor de CID werkten. Tijdens één van zijn vele bezoeken aan Ter Borg, wonende aan de Sumatrastraat te Enschede, vertelde hij het volgende aan de chef L.O., Piet Zantbergen:
Karel: "Piet, moet je luisteren. Ik kan aan belangrijke telexberichten komen van de "Marine Admiral Stab te Hengelo. Wanneer ik deze berichten in Londen kan krijgen, zal de oorlog snel een einde hebben".
Piet: "Geef die berichten maar aan ons. Ik zal wel zorgen dat ze via een koerierster bij het centrale punt komen, vanwaar ze naar Londen kunnen worden verzonden".
K: ”Dat is leuk bedacht Piet, maar heb je wel eens aan de risico's gedacht, die ik loop wanneer zo'n koerierster gepakt wordt met die informatie? Dan ben ik er geweest! Nee, dat is voor mij veel te link. Ik stel voor dat jij voor een zender zorgt, zodat ik de berichten zelf verstuur, vanuit Enschede….of beter nog dat de zender in mijn huis, in Hengelo wordt geplaatst”.
-Huschka had van zijn chef Dr. Meyer ten behoeve van zijn werkzaamheden als V-Mann een villa ter beschikking gekregen.- (Boek Enschede 1940 - 1945)
De L.O. topman Piet Zantbergen liet zich door Carl Huschka overtuigen dat hij aan de zijde van het verzet stond en ging mee met de gedachte van Huschka om van belang zijnde informatie, die hij voor de geallieerden had, via de illegale zender te versturen en het liefst vanuit de woning van Huschka in Hengelo. Hij zegde Huschka daarom toe een gesprek te arrangeren. Vervolgens vond een gesprek plaats tussen Huschka, Arien Onderweegs en Gerard Rutgers, beiden belastingambtenaar en lid van de Enschedese afdeling van het Nationaal Comite van Verzet.
De leider van dit Nationaal Comite van Verzet, was hun chef, de 39 jarige inspecteur van belastingen, Jan Harm Bosch. Onderweegs, Bosch en Zandbergen hadden eveneens contact met de Haaksbergse fabrikant W.J. ter Kuile, die deel uitmaakte van de inlichtingengroep "Packard". Deze "Packardgroep" had de beschikking over twee zenders.
In een gesprek tussen Onderweegs, Zantbergen, Rutgers, samen met Huschka, dat in de woning van Ter Borg, aan de Sumatrastraat plaatsvond, weet Huschka de drie te overtuigen van zijn goede bedoelingen. Nadat Huschka had uitgelegd dat hij gebruik wilde maken van een zender, om in contact te komen met de geallieerden, om zodoende informatie door te kunnen geven, zei Onderweegs:
"Ik vind het een goed idee, maar ik kan hierover geen beslissing nemen. Ik zal de zaak bespreken met een medewerker in Zwolle. Je hoort dan nog van mij".
Huschka:"Dat is goed, dan hoor ik van jou".
Onderweegs nam vervolgens contact op met W.J. ter Kuile van de Packardgroep en legde hem uit wat Huschka van plan was.
Ter Kuile:"Het is mooi wat je allemaal vertelt, maar ik heb grote twijfels aan de oprechtheid van Huschka. Het is veel te link. Dan komt hij voorrijden met een Duitse auto. De zaak kan zo verraden worden. Ook kunnen wij geen zender aan hem ter beschikking stellen. Het gaat niet door!".
Onderweegs liet het er niet bij zitten en vroeg vervolgens zijn chef Jan Harm Bosch, die ook achter het plan van Huschka stond zelf eens contact op te nemen met W.J. ter Kuile en te proberen Ter Kuile alsnog over te halen om zijn medewerking te verlenen. Na dit gesprek hield Ter Kuile echter voet bij stuk.
Onderweegs en Bosch gaven het echter niet op en besloten Ter Kuile maar te passeren en rechtstreeks contact op te nemen met diens chef, de leider van de Packardgroep, Ed van der Noordaa. Bosch kende Van der Noordaa omdat hij in het Nationaal Comite van Verzet met hem samenwerkte.
Op woensdag 21 maart 1945 reed Onderweegs samen met Huschka in diens auto naar Zwolle en gingen op zoek naar Van der Noordaa, maar die was er niet. Zij hoorden dat Van der Noordaa in het westen was. Er kon daarom geen beslissing worden genomen.
Samen reden ze weer naar Enschede en zette Huschka, Onderweegs af.
Huschka had bij zijn chef Dr. Meyer, het één en ander te vertellen.
Huschka:"Ik ben op zoek geweest naar een zekere Van der Noordaa, dat is een leidinggevende in een informatiegroep, die in contact staat met Londen, maar ik kon hem niet vinden. Hij is in het westen. Nu loopt de zaak even niet verder."
Dr.Meyer: "Wat? Ik heb niet zo lang tijd! Ik wil resultaten! Begrepen? Je moet zorgen dat de zaak opgerold wordt!"

-Ook chef Meyer ziet dat de geallieerden steeds naderbij komen. Drie dagen later zouden de geallieerden bij Wesel de Rijn oversteken.- 

Het verzoek van Onderweegs en Bosch aan W.J. ter Kuile om Huschka over een zender te laten beschikken, zorgde voor een flinke onrust binnen deze tak van de verzetsbeweging.
Ter Kuile vertrouwde Huschka niet en zal er waarschijnlijk waarschuwingen uit hebben gedaan. Tevens zal hij zal op de 21e maart 1945 wel vernomen hebben dat Onderweegs en Huschka, tegen alle regels in, in Zwolle op zoek waren gegaan zijn naar de leider van de Packardgroep, Van der Noordaa, met alle risico's van dien.
En het grootste probleem voor W.J. ter Kuile was dat hij kennelijk de activiteiten van Onderweegs en Bosch niet kon stoppen.
Hij voelde zich dan ook die dag verplicht om van deze activiteiten waarschuwingen uit te doen dat de mensen achter Huschka wel eens geen geduld meer zouden kunnen hebben en dat de mogelijkheid tot arrestaties binnen de illegaliteit aanwezig waren.

-Op de dag dat Onderweegs met Huschka op weg ging naar Zwolle om Van der Noordaa op te zoeken, ging de commadant van de Binnenlandse Strijdkrachten te Enschede, Ben ter Kuile, samen met zijn vrouw en broer Harry ter Kuile op de fiets naar Groningen/ Friesland.
Waarschijnlijk hoorde Ben ter Kuile reeds op 19 maart (1945) wat de groep van Bosch met Huschka van plan was.
Ben ter kuile hierover in het boek: “Stad en Land van Twente”:
“Op maandag 19 maart (1945) werd de spanning wederom zo groot, dat we besloten een week onder te duiken. Voor de veiligheid doken mijn vrouw, Harry ter Kuile en ik tegelijk onder en fietsten de 21e maart weg, naar Ter Apel in Groningen. De leiding van de BS liet ik over aan “Smit” Dit was Bothenius Lohman. De eigenlijke vervanger was “De Wit” (Van Bennekom), maar die was in villa Zonnebeek, tussen Enschede en Haaksbergen zonder telefoon slecht bereikbaar en was ook angstig geworden na een korte arrestatie door de SD.

Huschka en de zaak Jenvey.
Door het vertrouwen dat de “V-Mann” Karl Ludwig Huschka onder andere bij de leiding van de L.O. had verworven, vertrouwde deze groepering hem ook zaken toe, die normaal door eigen mensen werden gedaan. Waarschijnlijk was het zo vlak voor de bevrijding paniek en gebrek aan personeel. Veel mensen waren ingedeeld bij de N.B.S. en hadden vaste taakomschrijvingen gekregen.
De dupe wordt Luitenant Enward Jenvey.
Op vrijdag 29 december 1944 starte deze piloot van de RCAF,(Royal Canadian Airforce) 24 jaar oud, met zijn Typhoon, serial  RB 201 van de Basis Eindhoven.
Zijn opdracht luidde: "Een gewapende verkenning in het gebied Munster - Enschede".
Ter plaatse vond zijn eenheid een trein en rapporteerden:
"Een locomotief en negen wagons die bij V7303 staan, waarschijnlijk een munitietrein, zijn zojuist door ons vernietigd. Ook de rails zijn vernield. Ook werden door ons twintig wagons die bij A7394 stonden aangevallen en achttien wagons werden beschadigd".
Tijdens deze actie werd het toestel van Jenvey, door luchtafweergeschut getroffen. Met moeite kreeg hij zijn beschadigde toestel in de omgeving van Bentheim aan de grond en kroop er kennelijk ongedeerd uit. Ondanks het zoeken van de Duitsers naar de piloot, wist hij uit handen van de vijand te blijven. Uiteindelijk kwam hij in Enschede terecht en werd door illegale werkers op een onderduikadres ondergebracht.
Omstreeks de 23e maart was er een gesprek tussen mensen van de L.O. en Huschka. Huschka, geprikkeld als hij was door de reprimande die hij had gekregen van zijn chef Dr.Meyer, in verband met zijn zogenaamde inactiviteit, wil zich, koste wat het kost, waarmaken.
Wanneer in dit gesprek naar voren komt dat de mensen van de L.O. in Enschede, een Engelse piloot onder hebben laten duiken en zij Huschka hadden mededeelden dat zij die piloot naar Engeland wilden laten vluchten, nam Huschka het initiatief en zei dat hij wel wat zou kunnen betekenen voor deze piloot.
Hij ging vervolgens met dit verhaal naar zijn chef Meyer:
Huschka: “De onderduikersorganisatie hebben een piloot. Ze vertrouwen mij en via hen kan ik die piloot in handen krijgen.”
Dr. Meyer: "We kunnen hem in Duitsland krijgen, door hem naar een pastoor in Anholt te brengen. Daar kunnen wij hem overnemen. Misschien kan hij ons interessante informatie verstrekken!”
Huschka: “Dat is goed, maar de onderduikers-organisatie moet daar niets van merken, anders is mijn vertrouwen weg en is mijn rol uitgespeeld.”
Dr. Meyer: "Maak je niet ongerust. Ik weet wel hoe ik dat aan moeten pakken. Aankomende zondag, (25 maart 1945) ga je met die piloot een stuk wandelen over de Hengelosestraat in Enschede. Wij doen dan een controle en jij, alsmede die piloot worden opgepakt. Jij kunt er dan niets aan doen dat de piloot weg is".
Huschka: "Ja dat is een goed plan. Zo doen we het".
Geheel volgens plan werden zij vervolgens voor een controle aangehouden door inzittenden van een auto van de Feldgendarmerie. Beiden werden in deze auto meegenomen en reden vervolgens in de richting van Hengelo. Jenvey zat achterin, naast de Oberleutnant Hranz. Huschka zat voorin, naast! de bestuurder….
-Jenvey zal deze situatie wel vreemd gevonden hebben….een arrestant naast de bestuurder voorin…-
Op de Hengelosestraat, ter hoogte van de Bruggenmorsweg, remde de auto en kwam tot stilstand. De chauffeur zei dat ze even moesten wachten omdat hij vliegtuigen ziet, die het mogelijk op de auto gemunt kunnen hebben.
Jenvey, die inzag dat zijn situatie hopeloos was en dat het voor hem waarschijnlijk slecht af zou lopen, zag zijn kans schoon, op het moment dat ook de Oberts-leutnant naar de gesignaleerde vliegtuigen keek. Hij draaide zich plotseling om en trapte de luitenant in zijn nek. Deze was even de klust kwijt, daarvan maakt Jenvey gebruik om het pistool van de Luitenant de pakken te krijgen. De Luitenant kwam weer bij zijn positieven en begon zich hevig te verzetten, daarbij probeerde hij Jenvey te overmeesteren. Jenvy riep: "Karl help!!!". Huschka stapte vervolgens uit de auto, liep naar het portier, aan de zijde waar Jenvey zat, pakte zijn pistool en schoot door het raam op Jenvey. Deze was kennelijk dodelijk getroffen.
In ieder geval staakte Jenvey het verzet en reed de auto door in de richting van Hengelo….
Na dit gebeuren en nadat Jenvy waarschijnlijk ergens was gedumpt, reed de auto snel naar Dr. Meyer en bracht Huschka verslag uit van het gebeurde.
In Enschede liet Huschka aan de LO weten dat het "sluizen" van de Canadese piloot prima was gelukt.
Op dat moment waren er een aantal personen binnen de verzetsorganisatie, die zijn verhaal ongeloofwaardig begonnen te vinden. Uit ervaring wisten zij dat het op dat moment nagenoeg onmogelijk meer was om iemand achter het frontlinies te krijgen.
Van de Canadese piloot is niets meer vernomen. Waar werd hij naar toegebracht? Naar het vliegveld? Of zo maar ergens gedumpt? Niemand weet het.
(Boek Enschede 1940 - 1945)

Dr. Meyer is in deze periode druk met de reorganisatie van zijn abwehrstellen. Eind maart 1945, kort voor dat de geallieerden het plaatsje Uedem aan de Rijn in Duitsland, alwaar de leider Schwartz van de Ausenstelle kantoor hield, binnen zouden trekken, (op 28 maart werd Mechelen als eerste plaats in Nederland ten noorden van de Rijn bevrijd) kreeg Schwartz van dr. Meijer opdracht zijn Außenstelle naar Rotterdam te verplaatsen. Dus enige dagen voor de tijd dat Meyer zelf moet verkassen, hield hij zich nog daadwerkelijk bezig met de organisatie van zijn afdelingen.

-Niet alleen de LO mensen maakten gebruik van de dienst van Carl Huschka. Toen het er op aan kwam om bevrijdingspoging te doen van een aantal in de synagoge gevangen gehouden verzetsmensen, werden door de leiding van de BS, alle registers losgetrokken om dit te kunnen bewerkstelligen. Een gewapende overval leek onmogelijk gezien de strenge bewaking door Nederlandse SS-ers en een tiental Landwachters. Een poging om deze mensen met geld om te kopen, mislukte, daarna zochten ze hun heil bij de Jood Rudy Mayer, die in dienst was bij de Sicherheitsdienst, terwijl ook de connecties via Bosch, Onderweegs en Huschka benut werden.-

Het ging in deze in belangrijke mate om de bevrijding van Ds. Overduin:
Ds. Overduin gearresteerd. (Boek Enschede 1940 - 1945)
Hij werd tijdens een razzia's opgepakt. Leendert, die in Enschede een eigen onderduikerorganisatie had, voornamelijk gericht op joden, werd al sinds december 1944 gezocht door de Duitsers. Dit in verband met het verder uitzitten van zijn straf, die hij in 1943 gekregen had (22 maanden). De Enschedese SD gaf dan door dat Overduin onvindbaar was en waarschijnlijk ergens ondergedoken zat. Na de jongste arrestatie werd hij gehoord door Rudolf Sasse, die hem voorlegde dat hij valse papieren had uitgegeven. Overduin ontkende dit. Hij bleef vastzitten als arrestant van de S.D.
Actie tot bevrijding.
De districtsleider van de LO, Piet Zantbergen sprak donderdag 29 maart met Izaks, een “V-Mann” die waarschijnlijk door Huschka binnen de LO geintroduceerd is geworden. De chef van Izaks was dus tevens Dr. Meyer uit Hengelo. Izaks zou een Jood zijn, die waarschijnlijk gespaard bleef voor de gaskamer, omdat hij voor de “Abwehr” in Hengelo nuttig werk verrichtte. Dit gesprek vond plaats in de woning van Ter Borg aan de Sumatrastraat 3 te Enschede. Zantbergen zei tegen Izaks dat deze aan Huschka moest vragen of deze niet iets voor Ds. Overduin kon betekenen, daar bij de L.O. gevreesd werd dat Overduin zou worden gefusilleerd. Overduin was inmiddels ingesloten in de synagoge aan de Prinsenstraat te Enschede.
Zantbergen had al geprobeerd telefonisch contact met Huschka te krijgen, maar dat was hem tot dan niet gelukt, omdat Huschka die dag in Rotterdam was….(Was hij met Schwartz mee naar Rotterdam gegaan om de verhuizing van Uedem (Dl) naar Rotterdam te regelen? Huschka kende Rotterdam)
Toen Huschka vrijdagmiddag de 30e maart terug was in Enschede, vertelde Izaks hem over het verzoek dat de L.O. gedaan had.

-Op 30 maart overschreden de geallieerden de Nederlands/ Duitse grens in de Achterhoek en waren op weg in de richting Enschede. Dit waren De Guards Armoudred Division, van het 2e Britse leger en twee tankdivisies van het 2e Canadese Corps.-

Met dit gegeven zag Huschka zijn kans schoon om in één klap zoveel mogelijk mensen van de L.O. te arresteren en hoopte daardoor weer in aanzien te kunnen stijgen bij zijn chef Dr.Meyer.
Na het verzoek aangehoord te hebben, ging hij naar zijn chef Dr. Meyer en sprak zijn plan met hem door. Men zou proberen zoveel mogelijk mensen van de LO bijeen te krijgen voor een vergadering in de woning van Ter Borg aan de Sumatrastraat in Enschede. Izaks zou Ds.Overduin uit de synagoge halen, en doen alsof hij was vrijgelaten en dan ook meegenomen zou worden naar de woning van Ter Borg……
Dr. Meyer wilde dat de zaak de volgende dag geregeld zou worden, omdat volgens hem de tijd begon te dringen.

Terugtrekken van de Duitsers. (Uit het dagboek van de heer Dingeldein.)
-Nu de geallieerden de Rijn overgetrokken zijn en in de Achterhoek, richting Twente trokken, kwam er een grote stroom terugtrekkende Duitsers op gang. Grote files vrachtauto's trokken door Enschede, in de richting van Oldenzaal. Een Duitse chauffeur van een vrachtauto, die op de Marthalaan stond, zei met tranen in zijn ogen: "Es ist vorbei, der Tommy kommt".
Vanuit Oldenzaal ging de stoet vluchtende Duitsers ook richting Denekamp.-
Dingeldein schreef over vrijdag de 29e en zaterdag de 30e maart, in zijn dagboek:
"donderdag, 29 maart 1945. De gehele dag en de gehele avond rolt een stroom van Duitse legerauto's, meest vrachtwagens, maar ook luxe wagens met hoge ome's en koffers, in de richting van Nordhorn. Bij De Poppe gaat nog veel meer de grens over en op de weg van Enschede naar Glanerbrug heerst een gedrang. Nederland schijnt leeg te lopen; gelukkig maar; hoe meer Duitsers vertrekken, hoe minder kwaad zij kunnen doen."
Zaterdag 31 maart. 't Begon gisteravond om 9 uur reeds, en den heelen nacht duurde de uittocht voort. Er zijn ook 300 paarden, wagens en V-1's op de auto doorgekomen. Weinigen die aan de straat wonen, hebben geslapen van het lawaai en geschreeuw. Dikwijls opstopping en verwarring, omdat de auto's zonder licht moesten rijden"