Ondermeer onteend aan het boek: "Rudy, een strijdbare jood".
Auteur: Rudy Blatt.
Uitgever: J.H.Gottmer-Haarlem 1985

SAS-commando´s

Het is interessant dit verhaal te volgen dat gaat over een Joodse Student, die met de opkomende Jodenhaat in Duitsland, naar Nederland vlucht, uiteindelijk in Engeland terecht komt, als commando naar Zuidoost Azië wordt gezonden, later terug komt en achter de linies wordt gedropt, ten einde contact op te nemen met de plaatselijke verzetsgroepen om deze verder te ondersteunen.

Kort om. Alle aspecten komen in zijn verhaal voor.
1. Zijn beleven van de opkomst van de Nazi´s in Duitsland
2. De vlucht uit Duitsland.
3. Zijn inburgering in Nederland.
4. In dienst treden van de Nederlandse Krijgsmacht.
5. Via de z.g. “escapelijn” naar Engeland.
6. Uitzending naar Azië als commando.
7. Dropping in Duits bezet gebied, in Nederland als SAS agent.


B.S. krijgt wapeninstructies. (Boek: Enschede 1940-1945 door T. Wiegmans)

Hoe leerden de N.B.S.ers, waarvan velen voorheen nooit met wapens van doen hebben gehad, omgaan met wapens, het gebruik van springstoffen enzovoort?
In het boek "Stad en Land van Twente", staat dat in februari 1945 een Nederlands sprekende officier in Enschede kwam, genaamd Rudy. Deze Rudy was boven Drenthe gedropt. Dit ter ondersteuning van de Binnenlandse Strijdkrachten. Na vele gevaarlijke omzwervingen kwam hij via Vriezenveen, in Twente. Deze Rudy zou dienst hebben gedaan onder admiraal Mountbatten. In Enschede gaf hij instructies aan de staf van de N.B.S. Deze kennis moest door de stafleden worden overgedragen aan de overige N.B.S.ers.

Blonde Piet (Piet Alberts) zorgde voor de wapenen. Fietste er mee over straat, zonder een spier te vertrekken. Instructie werd onder andere gegeven op zolder van het gebouw Elim, aan de Noorderhagen en daar kwamen de stens op tafel. Rudy ging de vaste verzetskernen langs, die op hun beurt de anderen instrueerden. De man waagde dagelijks zijn leven. Hij was een dappere kerel. Ook een Poolse officier, die enige tijd op "Het Stroot" was ondergedoken, gaf waardevolle inlichtingen op militair strategisch gebied. 

Wie is deze Rudy?

Rudy Blatt, een Joodse jongen opgegroeid in Berlijn gaat in deze stad ook studeren. Zijn studie valt samen met de sterke opkomst van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij. (SDAP) Kort gezegd: hij maakt de “Nazi’s”, mee als een groepering die in toenemende mate “anti Joodse” dreigingen uit en deze ook daadwerkelijk in de praktijk omzet.
Met vrienden bestudeert hij deze partij en zij komen tot de conclusie dat het leven voor een Jood in Duitsland onmogelijk wordt gemaakt.

Om het nazi juk te ontvluchten stapt hij, met 200 mark op zak, op de trein en reist naar Amsterdam. Aldaar vindt hij al snel een baan in het modemagazijn van GERZON. 

foto:

Wat hem direct opvalt is de “anti Duitse” stemming die er in Nederland heerst, terwijl van “antisemitisme” geen sprake is. Berichten uit Duitsland krijgt hij via zijn, in Berlijn wonende, familie en vrienden. Korte tijd later wordt hij als “staatloze” in Nederland, opgeroepen voor de militaire dienstplicht. Volgens hem is het militarisme in Nederland niet populair en is men er in Nederland trots op al meer dan een eeuw niet bij een oorlog betrokken te zijn geweest.
De ouders van Rudy komen ook naar Nederland en mogen daar blijven omdat Rudy in Nederland de militaire dienstplicht heeft vervuld.

In september 1939 vallen de Duitsers Polen binnen en Nederland mobiliseert daarna zijn “kleine” leger. Ook Rudy is nu weer soldaat.
Volgens hem begrijpen de Nederlanders wel dat hun land in groot gevaar verkeert, maar weten de ernst van dat gevaar niet juist te taxeren.

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. Na vijf dagen is de oorlog voorbij. Het was goed bedoeld geweest, maar Nederland was niet opgewassen tegen “de modernste en sterkste oorlogsmachine van de wereld”. Na de overgave worden de militairen gedemobiliseerd en naar huis gestuurd.

Rudy voelt zich nu geheel ingesloten door de Duitsers. Daarom begint hij Nederlanders te waarschuwen dat de Duitsers, nu zij Nederland hebben bezet, spoedig zullen overgaan tot het vervolgen van Joden. Niemand gelooft hem. Men vindt hem een paniekzaaier, onruststoker en alarmblazer.

Zelfs nadat de Nazi’s de Nederlandse Joden zware beperkingen op gaan leggen, gelooft nog niemand dat hen iets overkomen zal. Ook de Joden zelf niet. Pogingen tot vluchten zijn zeldzaam te noemen. In de eerste acht maanden na de bezetting zijn de Nederlanders gelaten en hebben nogal wat galgenhumor, maar daarna begint wanhoop steeds meer om zich heen te grijpen.

Rudy probeert dan bij het verzet te komen. Dit lukt hem via een zekere Corrie. Enkele dagen na de ontmoeting met Corrie wordt hij voorgesteld aan de groepscommandant van Corrie. Dit is Jan van der Heiden. Hij is in het Nederlandse leger reserveofficier geweest. Na een gesprek van meer dan een uur, neemt Jan, Rudy aan en hij krijgt de opdracht nieuwe verzetslieden in Groningen te rekruteren. (Rudy is op dat moment reeds bedrijfsleider van het Gerzon, filiaal Groningen) Zelf zal hij nog les krijgen in het verplaatsen en onderhouden van contacten zonder op te vallen.
Na dit gesprek heeft Rudy alleen nog contact met Jan via Corrie. Zo verzamelt hij  inlichtingen over Duitse stellingen en troepenbewegingen, uit voorzorg moet hij vaak van kamer wisselen en heeft op een gegeven ogenblik drie kamers waar hij wisselend aanwezig is.

Wanneer de Duitsers, in Groningen, naar hem op zoek zijn, vlucht hij naar Amsterdam en van daaruit, in november1941, via België, richting Frankrijk en dan naar Zwitserland. Verdere plannen heeft hij nog niet.

Hij doet dat samen met zijn vriend Fred Hecht. Waarschijnlijk is Fred met Fred in contact gekomen via het werk bij Gerzon.
De naam van Fred is Alfred Maurits Hecht, te Rotterdam geboren, op 5 juli 1917. Zijn moeder behoort tot de familie gerzon. Fred is dus ook van Joodse afkomst. (
http://www.jodeninnederland.nl/id/P-8579)
 


Op deze foto staat moeder Emilie Gerzon met haar twee zoons afgebeeld. Links Alfres Maurits Hecht en rechts Bern Hecht (foto1926)

Op 7 december 1941 zijn ze in Frankrijk nabij de Zwitserse grens aangekomen. Dagen later lukt hen uiteindelijk Zwitserland binnen te komen. Van daaruit vertrekken ze met de trein naar Marseille. Rudy en Fred met nog een aantal mensen krijgen in Marseille nieuwe identiteitspapieren, waaruit blijkt dat ze in het bezit zijn van de Poolse nationaliteit en deel hebben uitgemaakt van het Poolse legioen dat onderdeel is geweest van het Franse leger. Dan meldt zich nog een jonge Engelse piloot, die drie dagen tevoren uit zijn vliegtuig had moeten springen en via de “juiste mensen” in Marseille aan was gekomen.

Rudy geeft de Britse escape organisatie een pluim voor hun functioneren. Met de trein gaan ze naar het allerlaatste station voor de Spaanse grens genaamd Banyul, aan de voet van de Pyreneeën, op ongeveer 6 kilometer, hemelsbreed gemeten, van de Spaanse grens) Vlak voor de oversteek van de Pyreneeën, ontmoeten zij twee Nederlandse kadetten. Dit zijn Walther Knoop en Hans van der Bogaard. De tocht over de Pyreneeën begint in kleine groepjes. Zij moeten op een tussenstation in de Pyreneeën (een eenzaam huis omringd door wijngaarden) uitrusten en zullen dan door een andere gids verder gebracht worden.

-De 16 kilometer lange smokkelweg van het Franse Banyul over de Pyreneeën naar het Spaanse Portbou was één van de belangrijkste sluisroutes. Om de verscholen paden te vinden en de grenspatrouilles te omzeilen, was de ondersteuning nodig van helpers. Gidsen die zich uit kenden in dat gebied.-

foto:

Een groep helpers 

Hierna gaat het met een Spaanse gids verder. Eén van de personen kan de reis niet aan en blijft achter. Wanneer ze bij een grot aan komen, moeten ze aldaar wachten en daarna vertrekken ze naar Barcelona. Daar ontmoet Rudy, Fred ook weer. Fred was via een andere vluchtroute via Toulouse gegaan en al een week eerder aangekomen.

foto:
(Foto: Rudy in Barcelona)

Van de Engelsen hoort Rudy dat het hem verboden wordt om contact op te nemen met de Nederlandse consul, in Barcelona. Kennelijk heeft men met Fred andere plannen. Niet alleen zijn vluchtroute was anders en tevens sneller. Hij is kennelijk ook meer op de hoogte van de mensen om hem heen. Wie kan hij vertrouwen en wie niet. Daarom zegt Fred zegt tegen Rudy dat hij dat wel kan begrijpen, omdat de Engelsen die man niet vertrouwen.

Fred en Rudy verblijven die avond samen in Barcelona. Fred zal de volgende dag vertrekken terwijl Rudy nog 2 weken in Barcelona blijft. Daarna vertrekt ook hij, met nog een aantal Engelsen, naar Madrid en worden afgeleverd bij de Britse ambassade.

Korte tijd daarop wordt hij afgehaald door iemand van de Nederlandse ambassade en verblijft dan bij deze man, genaamd Jan Morell, thuis, samen met de twee eerder genoemde Nederlanders, Walther Knoop en Hans van der Bogaard.
Na een week worden zij naar Sevilla gebracht en weer een week later komt er een kustvaarder, alwaar zij aan boord worden gesmokkeld.
Dit schip vaart naar de haven van Gibraltar. Daar aangekomen wordt hij, alvorens hij naar Engeland zal kunnen gaan, door een minister gescreend, waarna hij met vele anderen van verschillende nationaliteiten naar Liverpool en van daaruit met de trein naar Londen vervoerd.
Als ze daar aangekomen zijn wordt hij met anderen in de Royal Patriottische School
“quarantaine” gehouden. Na drie dagen wordt aan hem een verklaring van betrouwbaarheid afgegeven.
Daarna gaat hij naar het kantoor van de Nederlandse Veiligheidsdienst aan de Eaton Square.

Opnieuw wordt hij ondervraagd, met de nadruk op het verleden in Nederland. Na twee dagen is dit verhoor voorbij en wordt hij naar het Arlingtonhouse gebracht in het hart van Londen, de zetel van de Nederlandse regering in ballingschap. Hij mag dan zelf kiezen bij welk legeronderdeel hij wil dienen. Rudy wil een legeronderdeel waarbij inzet in de oorlog zo snel mogelijk plaats kan vinden.

-Dan geeft Rudy plotseling in zijn boek af op de landmacht, waar hij in Nederland had gediend. Met de volgende woorden:
“Tijdens mijn militaire dienst in Nederland, had ik een hartgrondige hekel gekregen aan het leger waarin ik diende. Ik vond het afschuwelijk soldaat te zijn en had een uitgesproken hekel aan het uniform. Maar het meeste hekel had ik aan onze officieren. Enkele uitzonderingen daargelaten beschouwde ik hen als een arrogant stelletje kerels, die uitsluitend oog hadden voor hun eigen positie; in mijn ogen waren ze volslagen ongeschikt voor het geven van leiding, met hun overdreven standsbewustzijn. Deze onaangename eigenschappen had ik in nog sterkere mate aangetroffen bij de beroepsofficieren uit hogere echelons dan onder de subalterne dienstplichtige officieren en reserveofficieren.”-

Nu Rudy in Engeland is, heeft hij een andere kijk op de dingen gekregen en wil niets liever dan meevechten. Alleen wil hij dit keer niet “gewoon soldaat” zijn maar wil iets bijzonders. Gezien zijn opleiding, Duitse afkomst en zijn Duits accent, weet hij dat hij geen officier kan worden. Hij ziet voor zichzelf meer kansen bij de RAF, (Royal Air Force) omdat hij meent dat hij daar op zijn kwaliteiten beoordeeld kan worden. Dit is tegen het zere been van Kolonel Van Hulst, die over de selectie gaat. Maar deze kan aan de keuze niets doen omdat koningin Wilhelmina zelf had bepaald dat ontvluchte personen die in dienst willen treden, zelf mochten bepalen bij welk legeronderdeel hij dienst zou gaan doen. In Londen ontmoet hij ook weer zijn vriend, die hij 8 maanden geleden tijdens de vlucht, voor het laatst in Barcelona had gezien. Dit was Fred. Fred had ook gekozen voor een opleiding bij de RAF.
 

foto:
Het 320e squadron bestond uit Nederlanders. Fred Hecht, maakte deel uit van dit squadron als piloot.

In Londen ontmoet hij ook persoonlijk Prins Bernhard, in de sociëteit. Later krijgen Fred en Rudy van Koningin Wilhelmina de Orde van Verdienste opgespeld. Fred slaagt voor zijn vliegbrevet. Rudy komt nog niet in de opleiding en wordt later ingedeeld bij de Irenebrigade in Wolverhampton. Rudy, die zich niet verheugt over deze overplaatsing, vertrekt dan op 28 augustus 1942 naar Wolverhampton.

Dan leest hij over het mogelijk dienen bij de Engelse commando’s. Bij de Irenebrigade is het volgens Rudy een zooitje. Het bevalt hem daar helemaal niet. Uiteindelijk wordt hij na een medische keuring goedgekeurd en toegelaten tot de opleiding voor commando in Port Madoc, een klein schilderachtig stadje aan de Noordkust van Wales. (Rudy bedoelt het plaatsje Porthmadog dat in de taal die in Wales gesproken wordt, zo wordt uitgesproken. In het Engels is dat Port Madoc en ligt in het noordwesten van Wales)

foto:

Port Medoc Nedederlandse militairen in opleiding als commando. 

De Nederlanders maken deel uit van het 10e commando. Het hoofdkwartier is in Harlech is gevestigd. Verder zijn in dit commando groepen uit België, Noorwegen, Frankrijk, Polen en Joegoslavie ondergebracht..

De Nederlanders waren de zogenaamde “Troop 3 –Dutch”.

foto:

Men vond het 10e commando in die tijd het meest unieke commando omdat deze uit zoveel nationaliteiten was samengesteld. Hier voelt Rudy zich thuis en wordt als een gelijkwaardig individu behandeld. Het blijkt hem daar dat het geen hij in Nederland als soldaat had geleerd had, hier niets voorstelt. Alles is anders: Nieuwe wapens, nieuwe gevechtstactieken en technieken, exercities, het hanteren van springstoffen, geforceerde marsen en nachtelijke oefeningen. Rudy beseft dat de opleiding voor hem kan falen op zijn fysieke gesteldheid. Doch na veel tegenslagen lukt het hem toch door te gaan en is nu commando.

foto:
Rudy Blatt (links) als commando.

Hierna wordt het tiende commando overgeplaatst naar Eastbourne, een badplaats aan de Engelse Zuidkust, in het graafschap Sussex. (foto Eastbourne)

foto:
De badplaats Eastbourne als onneembare vesting

In de maand september 1942, is Fred Hecht geslaagd als vliegenier bij de RAF. Rudy ondergaat een proef troepenverplaatsing in die maand en krijgt van Fred te horen dat Rudy’s vader is gedeporteerd naar een concentratiekamp.


In november 1942 gaat hij met zijn eenheid, met een troepentransportschip, vanuit Glasgow richting India. Uiteindelijk, via Algiers, Suezkanaal en Aden komen ze in Bombay (India) aan en gaan verder met de trein naar Poona. Aldaar is een grote verzameling gaande van commando– en marinierseenheden.

foto:
Rudy met zijn eenheid in India.

Op 19 februari 1944 wordt Rudy met andere commando’s per trein naar Bombay gebracht en vandaar uit per boot naar de haven Madras. Ze reizen per schip naar Cox Bazar, een plaats aan de Golf van Bengalen, vlak bij de Birmaanse grens en gaan dan met kleine boten aan land. Hun kamp bevindt zich in het plaatsje Nila, de zuidelijkste nederzetting op het schiereiland Naaf. Aldaar wordt een vergadering gehouden.

Besloten wordt dat het 24e Marinierscommando op 10 maart 1944, twee dagen na de vergadering de eerste raid uit zal voeren, vanaf het eiland St. Martin. Dit eiland ligt ongeveer 30 km zuidelijk van het schiereiland Naaf. Ze zullen dan diep in het Japanse territorium belanden.

Een rivaliteit over wie het eerst aan land mag gaat ontstaat tussen de commandotroepen en mariniers. Vervolgens gaan ze met rivierboten de rivier op naar Teknaaf. Daar zou de overnachting plaatsvinden, maar diezelfde avond besluit de kolonel terug te keren naar St. Martin omdat hij geen goed gevoel heeft over hoe het met het 24e marinierscommando is vergaan. Hij wil in de buurt zijn voor het geval dat er iets mis zou gaan. Op de terugweg lopen ze met hun boot vast op een zandbank, vlak onder de Birmaanse kust. Ze zijn nu genoodzaakt om de nacht in de boot door te brengen. De volgende morgen volgt er een landing met landingsvaartuigen van het 44ste. Zij varen dan door naar St. Martin. Het 44ste kan landen zonder dat er een schot gelost wordt. Daarna gaat de commando-eenheid van Rudy aan land en trekt het binnenland van Birma in. De gebruikelijke tactiek van de Japanners was om de vijand een heel stuk op te laten trekken en niets te ondernemen en dan plotseling van alle kanten te bestoken met mortiergranaten en mitrailleurvuur.

Op een gegeven ogenblik is de groep, door toedoen van de Japanners, al met 20 procent uitgedund en dat was de kolonel te veel geworden. Het blijkt dat in de jungle niet alleen moed belangrijk is om een oorlog te winnen. In een uiterste poging om van de Japanners af te komen wordt een nachtelijke aanval ingezet. Dit eindigde in een hevig vuurgevecht en Rudy raakt daarbij ernstig in zijn borst gewond. De hevige pijnen onderdrukt hij met morfine. Hij sleept zich terug naar een klein muurtje en rust daar uit. Plotseling springen overal rond om hem Japanners. Hij denkt eerst dat het de morfine is, die waanbeelden veroorzaakt.
Dan wordt een gewonde Japanner, door twee Japanners, naast Rudy, tegen het muurtje gezet. Hierna vertrekken deze weer. Kennelijk hadden ze Rudy in het donker aangezien voor één van hen en zouden ze later terug komen om de gewonde af te voeren. Rudy bemerkt dan dat het muurtje waartegen hij zit, een cirkel vormt en dat in die cirkel een groot aantal munitiekisten opgestapeld staan. Kennelijk de voorraad, waarmee Rudy en z’n mannen eerder door de Japanners werd bestookt. Rudy besluit dan te saboteren, met zijn enige handgranaat, die hij nog heeft. Hij beseft dan dat deze sabotage, (met een handgranaat munitiekisten op blazen) zijn dood zal betekenen. Hij laat de zaak voor wat het is en loopt op het gehoor richting zee. Onderweg daar naar toe, nemen twee mannen met groene baretten hem onder schot. Rudy roept dan:“Don’t shoot!”. Hij wordt veilig achter de linies gebracht, doch drie Engelse doktoren constateren dat ze niets voor Rudy kunnen doen. Hij moet wachten, omdat zij niet over de juiste uitrusting beschikken.
Daarna brengt een vliegtuigje hem naar Comilla, waar een veldhospitaal is gevestigd en wordt hij geopereerd. Een arts vertelt hem dat een granaatscherf een groot gat in het rechter gedeelte van zijn borstkas heeft veroorzaakt. De scherf zit er nog in. Die zal er later worden uitgehaald als hij naar een groter ziekenhuis is gebracht. Na ongeveer 9 dagen gewacht te hebben, wordt hij met spoed naar een hospitaalschip in Chittagong (de meest oostelijke haven in India) gebracht. Het schip vervoert hem in 4 dagen naar Calcutta. Vandaar uit wordt hij per ambulance naar Secunderabad vervoerd. Dit is een treinreis van 36 uur. Dit is in de zuidelijke deelstaat Andhra Pradesji. Daar is een groot militair hospitaal aanwezig. Maar in dat ziekenhuis wordt hij ernstig ziek. Alle onderzoeken ten spijt, weten de doctoren niet wat hem mankeert. Maar dan komt er een andere arts, die Rudy opnieuw onderzoekt en ontdekt dat Rudy een bloedvergiftiging heeft opgelopen door een inwendig ontstoken wond. Mede door deze operatie, die direct wordt uitgevoerd, blijft Rudy in leven.

Het is april 1944 geworden en de Japanners zijn India binnengevallen.

De granaatscherf in de borst van Rudy is nog steeds niet verwijderd en Rudy dringt er bij de artsen op aan om deze te verwijderen. Een vrouwelijk chirurg waagt uiteindelijk de gevaarlijke operatie en deze lukt ook. In dit ziekenhuis ontmoet hij, de eveneens aldaar opgenomen Wim van der Veer. Wim lijdt aan een malaria aanval.

In juni 1944 is Rudy al redelijk hersteld, maar verblijft nog steeds in het ziekenhuis. Op aandringen van Rudy wordt hij uit het ziekenhuis ontslagen en reist hij op eigen gelegenheid naar Bombay. Daar ontmoet hij kameraden die zich bij het zien van Rudy gedragen alsof Rudy uit het graf is opgestaan. Enkele dagen later kunnen ze inschepen in een troepentransportschip.
Na een zeereis van drie weken, waarin Rudy weer aan kon sterken, waren ze weer in Liverpool. In totaal is Rudy acht maanden weggeweest. Vanuit Liverpool gaan ze direct per trein naar Londen en vervolgens per bus naar een ander station en daarna met de trein naar Eastbourne.


Rudy vindt geen rust en al spoedig dringt hij er op aan om in bezet gebied bijzondere acties te gaan doen. Dit wordt eerst tegen gehouden en wordt tegen hem gezegd dat hij zich eerst medisch moest laten keuren. Na deze keuring wordt hij goedgekeurd en kan daarna naar het BBO (Bureau Bijzondere Opdrachten? ) Daar moet hij andermaal gekeurd worden. Het probleem is niet zijn fysieke toestand, maar het feit dat hij Jood is. Dat is een risico in bezet gebied. Na goedkeuring zegt kolonel Kleising van de BBO tegen Rudy dat hij terug moet gaan naar Eastbourne en daar af moet wachten. Dit alles is in de zomermaanden van 1944.

Het, commando, dat nu slechts uit vier personen bestaat en die nu in Eastbourne zijn, hadden allen in Birma gevochten. Dit commando krijgt van Prins Bernhard, een officieel vaandel uitgereikt.

Uiteindelijk krijgt Rudy opdracht om naar Nederland, in bezet gebied te gaan, om daar ter ondersteuning van het verzet, achter de linies te opereren. De geallieerden zijn intussen Limburg en Brabant binnen gedrongen. De Irenebrigade was in de maand augustus, twee maanden na de invasie, het kanaal overgestoken. Veel te laat volgens de officieren en manschappen.

Prins Bernhard werd benoemd tot opperbevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, afgekort, de N.B.S. Dit met inbegrip van het bezette gebied. De Prins bevordert alle vier Birma- gangers tot sergeant. Wim, die al sergeant was, wordt tot sergeant-majoor bevorderd.

Het is de bedoeling dat deze vier parachute leren springen. Ze krijgen een stencil met daarop een theoretische uitleg.

Daarbij worden ze tijdelijk ondergebracht bij de SAS-commando’s (SAS=Special Air Service) Op de vraag van Rudy of hij niet moet weten hoe de organisatie van het verzet in Nederland geregeld is en wie zij moeten benaderen zegt een SAS officier, dat zij dat zelf uit moeten zoeken. De SAS commando’s zelf werden ook vaak ver achter de Duitse linies gedropt en gaven via radiozenders informatie aan Londen door over troepenbewegingen, enzovoort.

Rudy maakt ook kennis met de vijf mannen met wie hij samen zal werken. Deze groep bestaat uit een kapitein, een sergeant, twee korporaals en een soldaat 1e klasse. Bij de voorbespreking, die volgt, wordt Rudy wat op zijn gemak gesteld. Zij vertellen Rudy dat genoemde mannen onder andere in Frankrijk reeds dergelijke acties hadden ondernomen.

In de ochtend van de 15e september 1944, moet de groep klaar staan en worden ze naar het vliegveld gebracht. Boven Nederland zoekt de piloot de droppingsplaats, die met lichten afgezet moet zijn. Helaas wordt er niets aangetroffen en vliegen zij terug naar Engeland.

De volgende dag vliegen ze weer naar het droppingsterrein, doch ook deze keer wordt er niet gesprongen. Er staan wel lichten om het droppingsterrein, maar niet in de juiste volgorde. De gezagvoerder wil het risico niet nemen en vliegt weer terug naar Engeland.

Daarna is het een dag of 5 wachten op een nieuw bericht, dat dan weer niet komt. De spanning stijgt enorm door deze toestanden.

Wanneer een nieuwe SAS-groep op het vliegveld arriveert die ongeveer 150 km noordelijk van Arnhem neergelaten moet worden, (omgeving Westerbork) kan Rudy de tolk bij die groep overtuigen dat hij een betere tolk Engels-Nederlands is en dat hij in de noordelijke provincies goed bekend is. Dit betoog is voldoende om de plaats van die tolk in te nemen. In de tijd dat hij nog wachten moet, vraagt hij zich af of hij met de ruil wel goed gedaan heeft, omdat de Belgische commandant van deze groep hem niet zo ligt.

 
Deze commandant noemt Rudy McBeff. Dit is een schuilnaam. In werkelijkheid is deze persoon genaamd: Emile Debefe.
De gegevens voor zijn opdracht luiden: "Belgian; in command of an SAS team; to gather information; 19440926/27184 (near Ellertshaar, Drente); 185 wounded 19441204; reported back 19450317: @ code name team GOBBO; signals plan MACBETH; code name MACBEF. 186

 
SAS luitenant Emile Debefve (
http://www.brigade-piron.be)

De verdere leden van deze groep zijn:

Francois Siffert: SAS agent, werkzaam als wireless operator, (marconist) codenaam van het team: GOBBO. Codenaam Siffert: Whiteheart 608.
J. Levaux: SAS agent; to gather information; codenaam van het team GOBBO; code name LARRY.

D.H.R. (Danny) Demoor: SAS agent; (marconist) to gather information; code naam van het team GOBBO; code name DURBIN.

Uiteindelijk krijgen ze de 25e september 1944 opdracht zich klaar te maken. Die avond om tien uur springen zij boven Nederland af. Op de grond aangekomen, worden de mannen door bewapende jonge knapen, die zich als boeren hadden verkleed, enthousiast begroet. Op een paard en wagen worden ze compleet met hun spullen, vanaf het droppingsterrein, naar een boerderij gebracht. De man, die kennelijk de leiding van de verzetsgroep heeft, wordt: “Kees” genoemd. Daarna worden de zes bij een Drents echtpaar ondergebracht. Ze worden daar, nog steeds in Engelse uniformen gekleed, enthousiast ontvangen en de blijdschap is nog groter als blijkt dat één van de zes Nederlands blijkt te spreken. (Rudy)


Om er zeker van te zijn dat er niets op het droppingsterrein achter is gebleven, gaat de verzetsgroep andermaal naar het droppingsterrein. Slechts iets kleins, dat achtergebleven is, kan bij de Duitsers argwaan opwekken.

Vanaf dat moment zijn ze voor de verzetsgroepen in Friesland, Groningen en Drenthe, het contact met Londen. De uitzendingen van berichten vinden om 10.00 uur en 14.00 uur plaats. Alle berichten worden gecodeerd en de ontvangen berichten worden gedecodeerd.

Helaas is de boerderij waarop zij zitten in het zicht van nieuwsgierige buren. In Drenthe zijn in die tijd nogal wat boeren die Nationaal Socialistisch gezind zijn en daarom niet te vertrouwen. Daarom gaan ze reeds de volgende dag, per fiets, weer naar een andere boerderij. Dit is de boerderij van Pieter Nijdam, aan de Zuideresweg in Orvelte. (Orvelte E1 te Westerbork)

Rudy steekt in zijn boek zijn bewondering voor de boeren, die hen, en onderduikers, onderdak verschaften, niet onder stoelen of banken. De risico’s die zij namen, m.b.t. hun gezin en hun boerderij, wanneer zij ontdekt werden, waren groot. Ontdekking leidde meestal tot de dood en verwoesting van de boerderij. Na de oorlog werd Pieter Nijdam onderscheiden met de Medal of Freedom Grade 5. Dit was een papieren onderscheiding onder het nummer 3073

Zo verstrijken de dagen, met het berichten doorsturen van het verzet naar Londen en omgekeerd. Ondertussen heeft ook Prins Bernhard opdracht gegeven om alle afzonderlijke verzetsgroepen te bundelen en over te gaan tot het vormen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS). Uitleg uit Engeland was dat wanneer er een BS gevormd zou zijn, de Duitsers bij gevangenneming van verzetsstrijders hen als krijgsgevangen zouden moeten behandelen.

Bekkers (een verzetstrijder uit het Noorden) legt Rudy uit dat er maar weinig eenheid in de verschillende verzetsgroepen is. Zo is er de Landelijke Onderduikers Organisatie (van het verzet) die het als voornaamste taak ziet om onderduikers onder te brengen en te voorzien van bonkaarten en geld. Daarnaast zijn er de Landelijke Knokploegen: zij namen alle werkelijk gevaarlijke operaties voor hun rekening, zoals het bevrijden van gevangenen, het overvallen van distributiekantoren om bonkaarten in het bezit te krijgen en het overvallen van stadhuizen en banken, sabotageacties, het opvangen van gedropte wapens en allerlei andere operaties, waarbij ze ieder moment om het leven konden komen. Kees en zijn mannen behoren tot een LKP. Tussen de LO en LKP bestaat een zekere mate van samenwerken. Verder is er een organisatie, de Ordedienst genaamd. De bedoeling van deze eenheid is, dat zij tijdens de bezetting een gezagsapparaat zullen opbouwen dat onmiddellijk kan worden ingezet, tijdens het vacuüm dat zou ontstaan op het moment van de bevrijding en het herstel van de normale orde, onder een regering, geassisteerd door de politie.
De relatie tussen de LKP en OD is op z’n zachtst gezegd stroef. Ten slotte is er nog de Raad Van Verzet. Deze groepering wordt er van verdacht zoveel mogelijk wapens in hun bezit te nemen en het aanleggen van geheime wapenvoorraden. Kees vertelt Rudy dat hij niet weet of zij wel daadwerkelijk aan het verzet deelnemen en hij verdenkt die groep er van communistische sympathieën te hebben. Niemand voelt er iets voor om met die groep samen in een BS op te gaan.

Wanneer vervolgens de luchtlanding bij Arnhem mislukt, is daarmee eigenlijk ook de opdracht van de groep van Rudy op drijfzand komen te staan. Zij zijn gedropt, met het oog op een snelle doorstoot van de geallieerden. De commandant van Rudy, MacBeff zinspeelt er al op om door de Duitse linies naar Nijmegen te gaan en zich daar aan te sluiten bij de geallieerden. Rudy heeft daar een andere mening over en vindt dat hij vanaf nu inniger met het verzet moet gaan samenwerken. Als Rudy zijn commandant dit mede deelt dat zij meer berichten t.b.v. het verzet zouden kunnen versturen, deelt MacBeff mede dat hij dat niet wil. Als vervolgens de verschillende verzetsgroepen dreigen geen enkele medewerking meer te verlenen, gaat hij toch overstag. Vanaf dat moment worden wapendroppings geregeld en sturen zij een verzoek naar Engeland om instructeurs te sturen.

Een week later meldt Kees dat er 50 kilometer ten noorden van hem 4 commando´s zijn geland. Later blijken dit Wim van der Veer te zijn, samen met Niek de Koning, Bob Michels en een Belgisch SAS commando.
Nadere gegevens van deze personen:

R.C. MICHELS, (Bob): commandant van het SAS team; 19441010/11 (near Veenhuizen, Drenthe): @ code naam team PORTIA.
N.J. de KONING (Niek): SAS agent;  code naam team PORTIA.131
Willem van der VEER: SAS agent; 19441010/11 code naam team PORTIA.236

Foto: www.saak.nl
Willem van der Veer

De Duitsers zijn gealarmeerd door de precisiebombardementen in Groningen, Friesland en Drenthe en hebben al snel het vermoeden dat de coördinaten, via de radio doorgegeven zijn. Daarom beginnen ze te peilen naar de zender van het commando van Rudy.
Op een dag, als ze net bezig zijn met een uitzending, ziet Gaston een peilwagen op de straat rijden. Het commando stopt onmiddellijk de uitzendingen. Ze besluiten om vanaf dat moment alleen berichten doorgegeven worden, wanneer de straat goed in de gaten wordt gehouden.
(Opmerking: Toch is het vreselijk link omdat de Duitsers ook gebruik maken van z.g. driepunts- kruispeilingen, met drie ontvangers de richting laten bepalen. Het snijpunt zal de plaats van de zender zijn. Aan de straat waar boer Nijdam woont, staan maar drie boerderijen, ver uit elkaar…)

Bekkers, die gedurende de drie weken dat ze nu bezig zijn, de contacten voor Groningen onderhoudt, zegt op een goede dag dat hij de contacten stop zet. Een verzetsman uit Amsterdam, die aldaar niet veilig was, werd boven hem gesteld. Hij is het daar absoluut niet mee eens. Hij zou het liefst met het verzet willen stoppen. Dit zou een verlies voor de informatievoorziening betekenen. Bekkers droeg gemiddeld zo´n 90 procent van alle informatie aan.
Rudy stelt dan MacBeff voor om Prins Bernhard over dit voorval in kennis te stellen. Na de Prins hiermee in kennis te hebben gesteld, stemt de Prins hierin toe en wordt de zaak teruggeschroefd zoals voorheen, waarna Bekkers van zijn kant belooft dat hij verder informatie zal blijven verstrekken.

Op een dag wordt de boerderij overvallen door de Duitsers. Kennelijk is er verraad in het spel geweest. Tijdens het zoeken worden eerst sigaretten en koffie gevonden. Dan wordt boer Nijdam gedwongen om te vertellen waar de wapens verborgen liggen, doch hij weigert dit te vertellen. Tot op het moment dat de zendantenne gevonden wordt. Rudy kan vanuit zijn schuilplaats horen wat de Duitsers zeggen, met woorden, dat ze er zeker van zijn dat het commando nog aanwezig moet zijn.

Eén van de Duitse soldaten krijgt de opdracht om de “Orts Kommandant” in kennis te stellen. Overal om de schuur, waar Rudy en z´n mannen zich schuil houden en om de boerderij, worden wachtposten uitgezet. Wanneer er een Kolonel arriveert, geeft deze de opdracht om de hele boerderij maar af te branden, maar de Duitse commandant maakt aan hem kenbaar dat hij de mannen liever levend in wil rekenen, om ze uit te kunnen horen. De kolonel is het hier mee eens.

Als Rudy met z´n groep, in afwachting van een doorzoeking die in de ochtend zal plaats vinden, die avond nog steeds in hun schuilplaats zitten, maken ze plannen om te ontsnappen. Daarbij moeten ze hun schoenen uittrekken en dan proberen te vluchten, op het moment dat de wacht afgelost wordt. Op het moment dat zij hier mee bezig zijn, wordt argwaan gewekt bij één van de Duitsers, die voor de schuur staat. Hij vermoedt dat het geluid dat hij hoorde, van een kat afkomstig moet zijn geweest. Maar hij wil toch voor de zekerheid het voorval aan de commandant melden. Daartoe verlaat hij zijn post en kunnen de mannen vluchten.

Rudy stelt het plan voor, om de 250 km die ze moeten afleggen om bij de geallieerde linies te komen, in de nacht af te leggen, zich voordoende als zijnde een Duitse patrouille. Als zij zouden worden aangesproken, dan zou Rudy het woord doen. En als er vragen over de Engelse uniformen zouden komen, dan zou Rudy zeggen dat zij van een speciale luchtlandingseenheid waren.
Men gaat akkoord met dit voorstel, waarna de route wordt uitgestippeld.
Vanaf de plaats waar ze op dat moment zijn (ten zuiden van Westerbork), zullen ze een route volgen langs Hoogeveen, Zuidwolde, Balkbrug, Ommen, Mariënberg, Vriezenveen en zo in een wijde bocht, maar wel door stille streken in de richting Arnhem gaan.

Onderweg worden ze een paar keer door Duitsers en zelfs, NSB landwachters gepasseerd, zonder dat deze argwaan hebben. Daardoor krijgt de groep het gevoel dat deze tactiek werkt.

Zo lopen ze in drie dagen via Balkbrug naar Ommen. Onderweg hebben ze slecht te eten gehad en bijna elke nacht dat ze liepen regende het.

In de ochtend klampt Rudy een boer aan. Naar hem voorzichtig uitgetest te hebben, neemt Rudy de boer in vertrouwen. Deze zegt dan dat ze hem snel moeten volgen. Bij de boer komen ze vervolgens in contact met het verzet en die brengt ze verder naar het zuiden. Uiteindelijk komen ze in Daarleveen aan bij boer Kerkdijk. De begeleidende verzetsman deelt Rudy mede dat bij hem in de buurt ook een Nederlandse majoor logeert, Henk genaamd, die juist terug is uit Engeland. Hij heeft de leiding over het militaire gedeelte van de verzetsorganisatie in deze streek. Omdat op de boerderij van Kerkdijk geen plaats is voor zes personen, worden Rudy en twee anderen naar een ondergrondse schuilplaats gebracht, op bijna 300 meter van deze boerderij.

( Over de dood van Gerrit Jan Kerkdijk: De Canadese bevrijders naderden op 5 april 1945 Daarlerveen vanuit Vroomshoop samen met verzetsmensen, die bij het "strijdende gedeelte" van de verzetsgroep "Vroomshoop" behoorden. De nog maar 27-jarige verzetsman Gerrit Jan Kerkdijk was door de verzetsgroep "Vroomshoop" gevraagd om daar bij de bevrijding te helpen. Op de vroege morgen van donderdag 5 april fietste Kerkdijk over de toenmalige Schollenbrug naar de Vriezenveenseweg in Vroomshoop met in zijn fietstas een stengun. Bij café Radstaak wilde Kerkdijk via de waterleiding naar de verzetsgroep, maar daar is hij nooit aangekomen. Gerrit Jan Kerkdijk kreeg vuurcontact met de Duitsers en werd op slag gedood. De G.J. Kerkdijkweg herinnert aan deze gevallen Daarlerveense verzetsman)

foto: Oorlogsgravenstichting
Graf van Herrit Jan Kerkdijk

De volgende dag vertelt de zoon van de boer aan Rudy dat een zekere “Fop” op de boerderij was geweest, -in werkelijkheid heette hij Henk Buunk–. Hij had met MacBeff (commandant) gesproken en was zonder een boodschap achter te laten weer vertrokken. Rudy voelt zich gepasseerd, als hij hoort dat MacBeff met “Fop” zijn plan doorgesproken had. Ze zouden namelijk twee zendgroepen gaan vormen en daarom niet achter de geallieerde linies proberen te komen, maar het verzet verder van dienst te zijn. Met Rudy was hier met geen woord over gesproken.
Deze "Fop" was in werkelijkheid:

BUUNK, Gerrit Bertus (Gerard; Ben): geboren: 19171204 te Boxtel – Overleden 19450404 Hattem; Functie MI6 agent; wireless operator voor de RVV; 19440705/06 (near Lopikerwaard, Utrecht);55 gearresteerd: 19450210: @ traffic plan St BERNARD; BI internal code name HENK; code name FOPKONIJN; HANENDOES; Joop KLIJN; field name J.H. van de WEG.

Foto: Oorlogsgravenstichting

                                                        Ben Buunk

Rudy heeft die avond nog een gesprek met boer Kerkdijk. Deze is er ook niet van overtuigd dat “Fop” in verbinding zou staan met Henk, wiens codenaam “Dudley” is. Rudy vindt dat het één en ander al te overijld in zijn werk is gegaan. Drie dagen later komt de rechterhand van “Fop” naar de boerderij om Danny en José, zijnde twee leden van de groep, op te halen. Rudy ziet zijn kans waar om wat meer over deze “Fop” te weten te komen. Na een aantal vragen aan die man blijkt hem dan dat “Fop” geen enkel contact met Dudley heeft.
Uit de opmerkingen van Rudy blijkt inmiddels wel dat hij iemand direct mag of helemaal niet. Hij mocht McBeff direct al niet en Ben Buunk ook al niet. Op dit standpunt zal hij ook niet snel terug komen. Buunk werkte anders dan Rudy bij de MI16 en was dus een echt "geheim agent", gekleed in burger en als militair als zodanig niet herkenbaar of van toepassing.

Henk Buunk werd, reeds in de nacht van 5 op 6 juli 1944, samen met Georg Frans Hooijer, gedropt in de omgeving van Laren (Gl.) Buunk had onder andere de opdracht om te komen tot een betere samenwerking tussen de verschillende verzetsorganisaties.
Ook maakte van deze groep deel uit:

George Frans
HOOIJER, (Gijs; Frans): geboren 19240629 te Voorthuizen113 – Overleden 19450312 Rotterdam; MI6 agent; zijn taak was het coordineren van de verzetsorganisatie. Tevens was hij wireless operator voor Beukema toe Water (the Kees group); 19440705/06 (near Lopikerwaard, Utrecht);114 Doordat zijn zender werd uitgepeild, werd hij gearresteerd. 19441201: @ traffic plan St MARK; BI internal code name BERNARD; code name LIJSTERBES; Arie KOOYMAN; field name K.G. van HEMERT. 

Via Jan Thijssen was hij ook werkzaam bij het operatiecentrum van de RVV en de zendgroep Bureau Inlichtingen Radiodienst. Buunk had de codenamen “Henk” en “Fopkonijn”, vandaar de afkorting “Fop” die Rudy gebruikt. In september 1944 kreeg Buunk de opdracht om naar het oosten van het land te gaan. Dit omdat de controles scherper waren geworden, omdat het zuiden van het land reeds bevrijd was. Met behulp van Karel Christiaan Mooiweer werd de seinpost van Buunk naar Vroomshoop verplaatst. Door Jan Thijssen werd hij als verbindingsofficier aan de staf van de Twentse brigade van de RVV toegevoegd.
Hiermee werd de basis gelegd voor de “Zendgroep Oost” van de radiodienst van de Raad Van Verzet. Hij kwam op deze wijze in contact met de RVV- leider kapitein Evert Lancker.

foto:

                                                                                  Kapitein Evert Lancker

Uiteindelijk komt Buunk dan rechtstreeks in contact met de drie van de groep van Rudy die elders waren ondergebracht.
Rudy vraagt boer Kerkdijk of deze er niet voor kan zorgen dat hij in contact komt met iemand die wel met Dudley in contact zou staan.


Opmerking: Vanaf nu komt Rudy in contact met de KP/NBS in Twente en wordt er meer indetail gegaan ten einde een goed beeld van Rudy te krijgen.

Aldus Rudy:
“Een dag later meldde Herman Hufter (Herman Hoften) zich bij me. (Opmerking: Herman was lid van de Almelose SDAP verzetsgroep, welke groep zelfstandig opereerde, maar wel samenwerkte met de overige verzetsgroeperingen in Twente)
Al toen ik een paar woorden met hem had gewisseld, kreeg ik een goed gevoel, de juiste man voor me te hebben. Hij legde me uit dat hij de adjudant was van Dirk Schmoes. (Smoes) de man die onder Dudley belast was met de leiding van het verzet in het gewest Twente. Herman was aanwezig geweest op het droppingsterrein, toen Dudley per parachute was geland."

 

1. 2.  3.

Foto 1: Derk Smoes, foto 2:  Dudley (majoor Brinkgreve), foto 3: Herman Höften op latere leeftijd.

Mijn opmerkingen waaruit blijkt dat Rudy toch niet met alles op de hoogte is wat zich binen het verzet afspeelde. Alleen al de verschillen in politiek inzichten tussen mijn vader (Blonde Piet) en Herman Höften bleken mij duidelijk. Herman vond het verschrikkelijk dat Nederland koste wat het kost in Indonesie wilde blijven en Blonde Piet stuurde naar aanleiding het feit dat de USA Nederland tijdens deze jaren niet ondersteunde en zelfs daarbij afviel, uit protest zijn onderscheiding terug.
U kunt gedeelten van dit gesprek dat ik op 18 februari 2002 het hem had, in zijn woning, aan de Rijnstraat 1A te Almelo, hieronder lezen:
Ik bel aan waarna de deur wordt geopend door een grote, voor zijn leeftijd vitaal uitziende man.

“Ik ben Geert Johannes Alberts, de zoon van Piet Alberts”….”he?”… “de zoon van Blonde Piet. Ben ik hier bij de familie Hoften?” “Ah…kom er in.” “Ga zitten! Wat brengt jou hier zo naar ons?”
Zijn vrouw staat in de keuken en blijft daar in eerste instantie ook…
Ik antwoord: “Het is nu bijna 10 jaar geleden dat mijn vader is overleden. In die tijd ben ik steeds meer over hem na gaan denken en gaan lezen. Ik realiseer me steeds meer dat ik maar weinig van hem weet. Hebt u mijn vader gekend?”
H. “Ja, ik heb hem wel eens gezien op Lidwina, maar daar kwam ik niet zo vaak. We hadden hier in Almelo onze eigen groep. Jij bent in ieder geval veel dikker dan je vader…”

G. “Mijn vader heeft eerst dienst gedaan en op de Grebbeberg gezeten. Bent u ook in dienst geweest?”
H. “Nee, ik was, toen de oorlog begon, nog maar 19 jaar. Als ik ouder geweest zou zijn, had ik mij af laten keuren. Ik wilde niet in dienst.”
G. “U bent tóch in het verzet beland.”
H. “Ja, mijn broer Henk, die was ouder en werkte op het arbeidsbureau. Hij zat in het verzet en is later door de Duitsers doodgeschoten. Ik begon af en toe eens te helpen. Een onderduiker weg brengen. Dan dit doen en dan dat en voor je het wist, was je de hele dag druk alleen met dat soort werk. Ik zat voornamelijk met de groep richting Zwolle. Het was een wilde boel in die tijd....


Henk Höften, de oudere broer van Herman.

Er was ook eens een Nederlandse Jood, die in Birma als commando had gediend, en die ik onderbracht in Vriezenveen. Daarvoor was hij in Drenthe met een parachute gedropt. Dit was Rudy.”
G. “Heet die man Rudy?” 
H. “Ja, Rudy BLATT. Hij werd in Vriezenveen ondergebracht en bleef een tijd in Twente.”

G. “Ik heb gelezen dat een zekere Rudy wapenonderricht gaf aan leden van de NBS.”
H. “Dat klopt, dat deed hij. Vanuit Vriezenveen ging hij verschillende groepen langs en is beslist ook in Enschede geweest. Die Rudy heeft ook een boek geschreven en ik heb daar een exemplaar van gekregen, als dank voor mijn diensten. Je kunt dit wel meenemen om te lezen.”
G. “Oh, hartelijk dank. Dat interesseert mij erg. U krijgt het zo snel mogelijk terug.”
G. “Wat was u in de organisatie van de NBS?”
H. “Daar heb ik niet aan meegedaan. Na de oorlog zijn veel van die leden naar Indië vertrokken. En wat deden ze daar? Rijkdommen van Nederlanders beschermen. Daar wenste ik niet aan mee te werken.”
G. “Er zou bij de groep Zenderen een auto gepantsert zijn, bij één of andere smit, door o.a. Geert Schoonman. Weet u waar die werkplaats was?"

H. "Dat kan maar bij twee werkplaatsen geweest zijn, met wie de groep Ludwina ook samenwerkte. Dit waren de gebroeders Kroese. Dat waren motorstunters of bij Tinselboer. De auto was een Ford Lincoln. Het was een zeldzaam voertuig. Daar reden er niet veel van. Achterin was een mitrailleur gebouwd. Met die auto werd ook majoor Brinkgreve ontvoerd en naar Lidwina gebracht. Hij was voordien gedropt boven Het Hoge Hexel. Hij wilde eigenlijk naar Lancker gaan.”
G. “Ik heb gelezen dat hij omgepraat is om naar Lidwina te gaan.”
H. “Ja, dat zeggen ze, maar zeg maar gerust dat het min of meer een ontvoering was. Klaas van Harten zat toen achter het stuur van deze auto, toen het gebeurde.”
“De vrouw van Dirk KLOOS, die een winkeltje in typemachines had aan een weg parallel aan het spoor naar Gronau, in Enschede, heeft een boek geschreven. Daar kun je nog veel uit halen. Na de oorlog ben ik begonnen alles zo snel
mogelijk te vergeten. Maar Koosje MICHEL, ik zal je het telefoonnummer geven, kan je veel meer vertellen en Wim WOLTERINK voorzitter van de reünie oud verzetstrijders weet ook nog veel te vertellen.”
G. Hoe bent u er na de oorlog afgekomen?
H. “Goed. Ik ben min of meer direct na de bevrijding in een eigen transportbedrijf gerold, alhoewel ik daar in het begin helemaal geen verstand van had. Ik deed dat samen met Henny Meulenbelt. 20 jaar geleden heb ik het bedrijf verkocht en geniet van de rust. Het gaat om het transportbedrijf V.d.VEEN. Het nummer van Meulenbelt is ........ Hij is een zwager van Koos Michel”.
Van de heer Höften kreeg ik om te lezen het boek “Rudy, een strijdbare Jood” mee.

We gaan weer door met hetgeen Rudy te vertellen had: 
"Het verbaasde me geen seconde dat “Fop”- die zich uitgaf voor een door het Bureau Inlichtingen in Engeland gestuurde radio – agent - in Dirks organisatie bekend stond als een grote dwaas. Om die reden wilde niemand van het verzet iets met hem te maken hebben. Herman achtte het onmogelijk dat “Fop” in staat zou zijn om MacBeff en de anderen behoorlijk op te vangen. Voor Herman vertrok, vroeg ik hem, Dirk zo spoedig mogelijk naar de boerderij te sturen, zodat ik persoonlijk met hem kon praten. Intussen besloot ik een laatste poging te doen om te verhinderen dat MacBeff en zijn mannen in verkeerde handen terecht zouden komen."

Opmerking: Het wantrouwen van Rudy en andere verzetslieden ten aanzien van de persoon "Fop", bleek ongegrond. "Fop", zijnde Ben Nuunk, was wel degelijk een agent van de MI16 en tevens in staat om via morsesignalen (marconist) berichten te versturen. Kennelijk kwam "Fop" als persoon niet zo over in het Noord- Twense land.

Rudy: "Ik lichtte Gaston en Francois in over “Fop” en mijn vermoedelijke contact met Dudley (via Herman) en verzekerde dat zij er verstandig aan zouden doen onder alle omstandigheden bij mij te blijven, dan zouden ze op de juiste manier worden opgevangen. Ze waren het roerend met mij eens maar achtten zich toch verplicht de instructies van MacBeff op te volgen.

Dirk Schmoes (Dirk Smoes) kwam de volgende dag zelf. Hij was een man naar mijn hart. Ook hij had geen al te beste indruk van MacBeff gekregen. De kapitein had er op gestaan bij “Fop” te blijven en had zich zelfs laten ontvallen dat hij mij niet langer nodig had. In zekere zin was ik er blij om, hoewel het me ontzettend speet voor de andere SAS-commando’s. Het stond me nu vrij te doen en te laten wat ik zelf juist achtte. Ik droeg niet langer de verantwoordelijkheid voor de jongens. MacBeff had het nodig geoordeeld een eind te maken aan onze samenwerking.
Zonder verder te aarzelen bood ik Dirk mijn diensten aan als adviseur en instructeur op militair terrein, een aanbod dat hij gretig accepteerde. Ik verzocht hem op zo kort mogelijke termijn een onderhoud tussen Dudley en mij te arrangeren. Een dag later leerde ik “Fop” zelf kennen. Hij was naar de boerderij gekomen om Gaston en Francois te halen. Tegenover mij hing hij fantastische verhalen op over het werk dat hij al had gedaan, over zijn talloze sprongen, zijn connecties, enzovoort. Gelukkig kan ik zeggen dat ik gedurende de tijd dat ik in Nederland in actie ben geweest, nooit meer iemand van zijn slag ben tegengekomen. Veel waren er niet van, maar voor iedereen met wie hij in aanraking kwam, betekende hij een levensgroot gevaar. Oh ja, het waren goed bedoelde patriotten, maar ze hadden absoluut geen kaas gegeten van het soort werk waarmee zij zich bezig meenden te houden…”.

Dan een tijdje niet van belang……

Dan vervolgt Rudy:
“Diezelfde avond kwam Herman. Hij had burgerkleding voor mij meegenomen en een fiets. Ik ging me onmiddellijk omkleden en omstreeks tien uur vertrokken wij met de fiets. Na een uurtje gefietst te hebben bereikten we een huisje in een zijstraat, ergens in Vriezenveen. Hier woonde de stadsarchitect van Vriezenveen, Dekker. Het was duidelijk dat de hele familie Dekker was ingelicht over onze komst, want ze zaten in de huiskamer op ons te wachten.

foto:

Het echtpaar had vier kinderen, de zeventienjarige Henk en drie dochters tussen de 15 en 22 jaar. Bij mijn binnenkomst kon ik onmogelijk bevroeden dat dit gedurende de eerstvolgende 5 maanden mijn “hoofdkwartier” zou zijn. Onmiddellijk bespeurde ik de hartelijke, vriendelijke instelling waarmee deze geweldige mensen mij opnamen in hun midden. Tot nu was ik alleen binnen geweest bij boeren, wier boerderijen tamelijk eenzaam waren gelegen. Maar vanaf nu zou ik in het huis vertoeven van een man die een officiële positie bekleedde bij de gemeente. Links en rechts stonden andere huisjes, bewoond door buren, als ook maar iemand er even tegenover Duitsers op zou zinspelen dat “de Dekkers iemand in huis hadden” zou het hele gezin worden opgepakt en zonder twijfel worden geëxecuteerd. In het begin waren we allemaal nog een beetje verlegen met de situatie, maar het duurde niet lang voor ik werd “gebombardeerd” met vragen. Ik was een persoon uit de “buitenwereld” en kennelijk waren zij verstoken van alle nieuws.
Herman beloofde dat ik spoedig in contact gebracht zou worden met Dudley. Ik zou enkele dagen moeten wachten op valse papieren en omdat hen een zware en moeilijke taak wachtten stond. Zodra die tot een goed einde was gebracht, zouden ze alle noodzakelijke maatregelen nemen.
Ik zal een dag of twee bij de familie Dekker in huis geweest zijn, toen Fien, de tweede dochter van de familie, opgewonden thuis kwam van haar werk. (Ze werkte op het stadhuis van Vriezenveen). Het nieuws dat een dag eerder een overval was gepleegd op de grootste bank van Almelo, deed als een lopend vuurtje de ronde. De overvallers zouden zich met enkele honderdduizenden guldens uit de voeten hebben gemaakt. Almelo lag op slechts 15 kilometer van Vriezenveen en wij wisten dat dit de “de zware en moeilijke taak” was waarover Herman gesproken had toen hij mij bij de familie afleverde.
Die avond kwam hij naar ons toe en vertelde de hele geschiedenis. Het plaatselijk verzet had dringend behoefte aan middelen om onderduikers van kost en inwoning te verzekeren. Daarna was er ook geld nodig voor het omkopen van figuren die uitsluitend bereid waren iets voor het verzet te doen als er werd betaald. De enige mogelijkheid om aan geld te komen was een overval op de bank en aangezien banken door de moffen werden beheerd, kon je dat nauwelijks als misdadig beschouwen. Alles was volgens plan verlopen en nu waren ze zover dat er plannen konden worden gemaakt voor mijn werk.
Er moest een pasfoto komen voor mijn persoonsbewijs en Herman beloofde dat het over enkele dagen gereed zou zijn. Een paar dagen na dat bezoek hoorde ik dat Gaston en Francois naar de boerderij van Kerkdijk teruggekeerd waren. “Fop” had hen op een onmogelijke manier ingekwartierd en ze hadden niet het minste of geringste contact met hun superieur kapitein MacBeff gehad. Ik stelde Dirk Smoes op de hoogte en verzocht hem zich over Gaston en Francois te ontfermen. Maar toen zijn mannen op de boerderij kwamen om hen op te halen, bleek helaas dat “Fop” ze een slag voor geweest was en het tweetal na een hooglopende ruzie had gedwongen met hem mee te gaan.

Begin december kreeg onze organisatie een zware slag te verwerken: Dirk Smoes en zijn adjudant Douwe Mik waren door de moffen opgepakt. In het verzet gold de ongeschreven wet dat je van adres moest veranderen als er iemand was gearresteerd die jou kende of wist waar je uithing. Het deed er niet toe hoe “goed” of betrouwbaar de betrokkene was: De Gestapo had zo haar eigen methoden om iemand aan het praten te krijgen. Iedere activiteit diende op z’n minst een week verschoven te worden. Ook ik verkaste.

Volgens inlichtingen die wij uit betrouwbare bron ontvingen; deze bron was een contactpersoon in het gebouw van de Sicherheitsdienst in Almelo; hadden Dirk, noch Douwe iets losgelaten. De moffen hadden hen zelfs niet in verband gebracht met de recent gepleegde bankoverval, noch had de SD enig vermoeden van de belangrijke rol deze twee in het verzet vervulden.

Vlug begonnen we een plan op te stellen voor hun bevrijding. Die zou over drie dagen moeten plaatsvinden. Maar een dag eerder werden Dirk en Douwe overgebracht naar de gevangenis. We wijzigden onze plannen, maar het lot was ons niet gunstig gezind – slechts enkele dagen later werden ze op transport gezet naar Duitsland. Later hoorden we dat de chauffeur van de vrachtwagen die ze bij de overval hadden gebruikt, door de Duitsers was opgepakt. Ze hadden hem gedwongen het hele verhaal op te biechten, waarbij hij Dirk en Douwe had verraden. Omdat de SD op dat moment pas begreep hoe belangrijk deze “vangst” eigenlijk wel was, waren ze eerder dan normaal afgevoerd – met het oog op een eventuele tegenactie van de ondergrondse.

Een poosje later trok ik weer bij de familie Dekker in. Ik had inmiddels mijn nieuwe persoonsbewijs gekregen en heette nu Gerrit Nijkamp. Fien had de noodzakelijke papieren op het stadhuis van Vriezenveen in orde gemaakt. Voortaan was ik controleur van het distributiekantoor in Vriezenveen en kon onder deze dekmantel heel Twente doorkruisen. De papieren waren ondertekend door de burgemeester van Tubbergen, maar de goede man heeft nooit geweten wie Gerrit Nijkamp in werkelijkheid was. De moffen hadden Gerrit zelfs een “Bescheinigung” verstrekt, ondertekend door de locoburgemeester van Vriezenveen, J.Pot, waarin alle militaire en civiele instanties werden verzocht, de bezitter van dit “Ausweiss” ongehinderd te laten passeren en hem: “Geen andere arbeidstaken op te leggen.” Ook de “inbeslagname van zijn fiets” was niet toegestaan.

Nu was alles in gereedheid en kon ik met mijn nieuwe werk beginnen. Het wachten was alleen op de komst van Leo, (Dolf Fleer) de opvolger van Dirk Smoes: Hij zou naar Vriezenveen komen om alle bijzonderheden met me door te spreken.

Op dat moment bereikte me een ongunstig bericht over MacBeff. Samen met de andere SAS-commando’s was hij ondergebracht bij een zekere familie De Groot, in Vroomshoop, niet ver van Vriezenveen. Kennelijk hadden de moffen daar lucht van gekregen, waarna ze een poging hadden gedaan hen te pakken te krijgen. Dat was uitgedraaid op een schietpartij. Eén van de jongens scheen licht gewond te zijn, maar ze hadden kunnen ontsnappen.

Ik liet al het andere rusten en maakte van ieder mogelijk kanaal gebruik om hen onder te brengen op een veilig onderduikadres. Later konden zij, dank zij de interventie van onze mensen, behouden het, door de geallieerden bevrijde gebied, bereiken. Kort daarna kregen de Duitsers “Fop” te pakken en bereikte ons het bericht dat hijzelf en drie van zijn medewerkers door de moffen waren geëxecuteerd….

Eindelijk ontmoette ik Leo. ( Leo was de schuilnaam van de inspecteur van politie, toen werkzaam de Oldenzaal, genaamd Dolf Fleer. Later werkzaam bij de gemeentepolitie te Enschede)
Samen met hem bracht ik een bezoek aan Dudley, die toen al heel wat over mij te horen had gekregen. Toen ik hem mijn plannen ontvouwde, toonde hij zich enorm geestdriftig. Twente was verdeeld in vijf districten: Enschede, Hengelo, Almelo, Oldenzaal en Goor/Enter. In theorie waren de Binnenlandse Strijdkrachten in al deze districten georganiseerd en was de leiding in handen van de plaatselijk districtscommandant. Deze beschikte over een sectie Inlichtingen, terwijl zijn “ondergeschikten” waren verdeeld in compagnieën, secties en groepen. Mijn bedoeling was om in ieder district een week lang instructie te geven aan alle leden van de B.S., tot op het niveau van groepscommandant. Dit zou betekenen dat ik iedere dag bezig zou zijn met een groep van zeven à acht man.

 

Mijn programma zag er als volgt uit:

1.Lezing over de belangrijkste taak van het verzet, namelijk steunverlening aan offensieve acties van de geallieerde strijdkrachten, militaire discipline; verder over de gevaren van boobytraps, mijnen en tijdbommen en manieren om ze te vermijden; de ervaringen die verzetsorganisaties in andere landen hadden opgedaan; geografische locaties die van vitaal belang waren voor de geallieerde legers en de manieren om ze te beveiligen; veiligheid; het oppakken van alle gevaarlijke sujetten en collaborateurs (uiteraard na de bevrijding.)
2.Instructie inzake moderne handvuurwapens, Duitse wapens inbegrepen; en zoveel mogelijk praktische oefeningen.
3.De strijd in de bebouwde kom, te weten; het zich onder vijandelijk vuur verplaatsen in straten, het oversteken van straten onder kruisvuur, het zuiveren van de huizen van vijandelijke schutters, het bezetten van gebouwen en fabrieksemplacementen. Het maken van versterkingen, het zich verplaatsen langs wegen, het overwinnen van obstakels als concertina’s (prikkeldraadversperringen), rivieren en barricaden; nachtelijke operaties: stilte, gezichtscamouflage, roken, verrassingselement.
4.Het ongewapend gevecht (inclusief oefeningen), verdediging tegen een gewapende tegenstander, trucjes, vastbinden van mensen zonder dat er touw voorhanden is.
5.Wapenonderhoud.
6.Het formeren van gevechtsgroepen, hulpmiddelen als messen, touw en rubber onder de schoenen, ordonnanstaken, verkenningen, kaartlezen.
7.Ontwrichting en sabotage (uitsluitend voor sabotagegroepen)
8.Organisatie en rang - onderscheidingstekenen van de geallieerde legers.

Inderdaad een ambitieus programma. Maar ik wist dat ik mijn doelstellingen niet te licht moest nemen. Per slot van rekening zou ik instructie geven aan mannen, die gewoon waren aan het gevaar, gevaar dat ze nu al geruime tijd, dagelijks het hoofd moesten bieden. Het waren nuchtere realisten, die zich niet door loze praatjes bij de neus zouden laten nemen.
Gelukkig beschikte ik nu over alle papieren om mij veilig onder valse naam te verplaatsen. Jannie Krabbenbosch, een meisje dat op een boerderij buiten Almelo woonde, zou als mijn gids fungeren. Aan het begin van iedere week zou ze me naar het adres brengen waar ik moest zijn; en als mijn taak er op zat, zou ze me weer komen ophalen. Fietstochten met een meisje wekte minder argwaan, terwijl Jannie alle sluipwegen in het gebied kende. Voor dit werk was zij de ideale persoon."

Omstreeks 19 december 1944 begint Rudy met zijn eerste instructies.
Rudy over deze wapeninstructies: “Wat een karwei en wat een geweldige kerels om mee te werken. Tot zover had ik alleen kennis gemaakt met de leiders van het verzet. Nu leerde ik de “gewone” verzetsstrijders kennen. Nooit zou ik het voor mogelijk hebben gehouden dat de flegmatieke Nederlander, die opgevoed was in het besef dat oorlog en iedere vorm van geweld iets was waarvan je moest walgen, zo’n ontembare wil kon opbrengen om de vijand te verslaan. En dat nota bene na 4 jaar Duitse bezetting, met alle gruwelijke gevolgen van dien. De meesten hadden al in dagen geen warme maaltijd gehad. Maar dat hinderde hen niet mijn lessen bij te wonen en ze hingen aan mijn lippen. Hun esprit fascineerde me zo dat ik er geen moment bij stilstond dat de moffen ieder moment binnen konden vallen. We hadden onze wapens binnen handbereik, met inbegrip van wat handgranaten. Maar er was geen tijd aan dergelijke dingen te denken; er was teveel waarover we moesten praten.

In de regel begonnen we ’s morgens om 8 uur en namen we er slechts een half uurtje vanaf om te gaan “schaften”; de lunchpauze werd bekroond met het rollen van een “sjekkie”, een ongekende luxe in die tijd. Meestal was er wel iemand bij die in zijn achtertuin zelf wat tabak verbouwde. Er werd een zware wissel getrokken op mijn improvisatievermogen. Ook moest ik aan het eind van iedere instructie dag een massa vragen beantwoorden. Meestal hielden wij er ’s middags om een uur of vijf mee op.

De eerste dag die ik doorbracht in een district, gebruikte ik altijd om met de plaatselijke BS commandanten te werken aan het opstellen van de noodzakelijke plannen en schema’s. Al gauw constateerde ik dat het verenigen van alle lokale verzetsgroeperingen onder de paraplu van de B.S. alleen nog maar theorie was. Daarom beschouwde ik het als mijn voornaamste taak iedereen het nut van een eendrachtig front op het hart te drukken.

Dit zou de enige manier zijn om succes te boeken, als het moment daar was en we in actie moesten komen. De BS-leiding van elk district zou moeten uit maken of het tot een open strijd moest komen of dat de vijand kon worden aangevallen en gedesorganiseerd zonder dat het tot een massale slag kwam. Ook drong ik aan op het zo snel mogelijk voltooien van een organisatieschema op basis van compagnieën, secties en groepen. Daarnaast werkten we een waarnemingsplan uit. Ieder strategisch object, in het betreffende district, moest vanaf de eerste dag van onze samenwerking onder surveillance worden geplaatst, ten einde te verhinderen dat de moffen spoor - en andere bruggen, fabrieken en elektriciteitscentrales zouden opblazen als ze genoodzaakt waren zich terug te trekken. Zo nodig zouden onze waarnemers reeds aangebrachte springladingen verwijderen en vertrouwde mensen (of omgekochte Duitsers) in vitale posities te manoeuvreren. Voorts werkten we een systeem uit om alle BS leiders tot op het niveau van groepscommandant aan een bruikbare kaart te helpen. Op die manier konden wij bij hun instructies gebruik maken van kaartcoördinaten en codes. Ook zorgden we voor een communicatiesysteem gedurende militaire operaties en vormden een inlichtingensectie die de BS commandanten tijdens iedere fase van de strijd op de hoogte zou houden van de ontwikkelingen.

Het was dringend nodig een plan uit te werken voor het verbeteren van de bewapeningssituatie; we beschikten op dat moment maar over heel weinig wapens. Vanaf dat moment was geen enkele Duitser meer zeker van zijn wapen, als hij er in zijn eentje in het donker er op uit trok. Onze mensen kregen instructie bijzondere aandacht te besteden aan spoorwegpersoneel en andere niet-strijdende burgers.

Als ik mijn werkzaamheden in een bepaald district had beëindigd, stuurde ik daarvan een rapport naar Leo (Dolf Fleer) en Dudley (Brinkgreve). Ik gaf Leo zoveel mogelijk raad inzake het verbeteren van de bewapening, de omgang met de verschillende districtscommandanten en het tot stand brengen van een hechte verzetsorganisatie.

Ook bracht ik rapport uit aan Eduard, (Kolonel Hodz) hoewel ik hem nooit had ontmoet. Hij was gewestelijk commandant van alle ondergrondse strijdkrachten in Overijssel, Twente inbegrepen. Er was me verteld dat hij een kolonel buiten dienst van het KNIL was en een jaar of 55 moest zijn. Ondanks zijn gevorderde leeftijd was hij niet teruggeschrokken voor deze zware verantwoordelijkheid en kweet hij zich op voortreffelijke wijze van zijn nieuwe taak.

Kolonel Hotz (links)

Over het algemeen had ik geen hinder van de Duitsers op mijn reizen door Twente. Ik geloof trouwens niet dat ze er ook maar een flauw benul van hadden wat er vlak onder hun neus gebeurde. Ik genoot van mijn werk; het was een openbaring voor me om met de mensen van het verzet te kunnen samenwerken. Ik was dan ook geweldig trots toen me na een week of vier werd gezegd dat er nu een hechte BS organisatie in Twente bestond, ter sterkte van niet minder dan 2000 man. Hier en daar deden zich wat wrijvingen voor, maar dat had weinig of geen betekenis.

Een enkele keer zagen Jannie Krabbenbosch en ik dat er SS’ers of Grüne Polizei een eind verderop de weg hadden versperd, maar steeds konden we op het allerlaatste moment in een bos verdwijnen. Soms kwam ik in vreemde situaties te verkeren, zoals een keer dat ik logeerde in een villa van een van de grootste textielfabrikanten van Enschede. Hij was tevens districtcommandant van de BS in die stad; (Ben ter Kuile) en mijn kamer in zijn huis grensde aan die van de Duitse Ortskommandant van Enschede. Ook herinner ik me die keer dat ik; ik meen dat het in Almelo was; afzonderlijk instructies moest geven aan twee man, omdat de plaatselijke districtscommandant bang was dat zij allebei communist waren. Toen de instructie dag om was, vroegen ze mij wie hun gemiste werkdag zou vergoeden!

Eén van de grootste gevaren die ons gedurende deze weken bedreigden, was; o ironie; de mogelijkheid dat we door één van onze eigen vliegtuigen zouden worden beschoten. Tijdens onze tochten moesten we om de haverklap dekking zoeken in de dichtstbijzijnde greppel om niet geraakt te worden door kogels van Engelse of Amerikaanse jachtvliegtuigen, die over de boomtoppen scheerden en schoten op alles wat zich op de weg verplaatste.

Een uiterst pijnlijk incident was het bombardement dat Amerikaanse vliegtuigen op een Nederlands stadje in de buurt van de Duitse grens. (Enschede) Natuurlijk was het een vergissing, maar de bevolking was woedend. Afgezien van materiele schade waren er ook slachtoffers te betreuren. En eens temeer werd ik van alle kanten met vragen onder vuur genomen. Waarom?……….waarom?…. Wat kon ik er op antwoorden? Als ik deze mensen uitlegde hoe gemakkelijk het is om vanuit een vliegtuig hoog in de lucht een dergelijke vergissing te maken, zouden zij er hun doden niet mee terug krijgen.

Verder waren er de lanceerplaatsen van de V1 en V2. Deze bevonden zich overal rond om ons in Twente. De vliegende bommen, die op Antwerpen, of andere geallieerde havens aan de Noordzeekust en het kanaal, neerkwamen, kwamen hier vandaan. Alhoewel de locaties van die inrichtingen naar Londen werden doorgeseind, was het toch vaak moeilijk deze te bombarderen, omdat ze vaak in de buurt van ziekenhuizen werden geplaatst."

Ben ter Kuile over de wapeninstructies.
Ben ter Kuile schrijft ook over deze wapeninstructies. Dit is te lezen in het Boek “Enschede 1940 – 1945” geschreven door T.Wiegman en is hieronder weergegeven.
“Om ons tijdig voorlichting te geven, arriveerde in februari 1945 een Engels sprekende officier, genaamd "Rudy". Deze prima man kwam uit Drenthe, waar hij gedropt was als parachutist, tijdens de grote Airborne Invasion in Arnhem. Na vele gevaarlijke omzwervingen kwam hij ten slotte in Vriezenveen terecht. Via de B.S. verder gebracht en herhaaldelijk uit de handen van de S.D. ontsnapt, kwam hij bij de Districtscommandant in Almelo terecht. Van daar werd hij doorgestuurd naar de Kringcommandanten en Plaatselijk commandanten.

Zo werd hij op 12 februari 1945 door de Districtscommandant bij ons aangekondigd. Klaas Straatman bracht hem eerst bij hemzelf en vrienden onder, en daarna sliep hij ook een nacht bij ons. We hebben genoten van zijn interessante verhalen. Hij bleek uit Birma te zijn gekomen, waar hij was ingedeeld in de "commando's" van Admiraal Mountbatten. De volgende morgen leidde hij de eerste instructie voor de Staf. “Blonde Piet” zorgde voor de wapens en fietste er mee over straat, zonder een spier te vertrekken! We slopen van de Stadsgravenstraat voorzichtig naar het schoolgebouw van de Christelijke Lagere School. Daar kwamen de stens op tafel te liggen en werden we geïnstrueerd. Hij vertelde ons tevens veel interessante dingen, onder andere over boobytraps en ook hoe je iemand geluidloos kon afmaken. Zo ging hij verder de V.V.K.-groepen langs, die op hun beurt de andere groepen weer instrueerden. De man waagde dagelijks zijn leven. Hij was een dappere kerel! Ook een Poolse officier, die gedurende enige tijd op "Het Stroot" ondergedoken was, gaf ons waardevolle inlichtingen op militair en strategisch gebied."

N.B.S.leiding vindt onderdak in Enschede en Losser.

Na de inval van de Duitsers op Huize Lidwina te Zenderen, zwierf de N.B.S. leiding veelvuldig rond in Twente en Salland. Dan wordt Bunny Austin, de marconist van Henk Brinkgreve, ("Dudley" ), op 18 november 1944, door de SD gearresteerd. De groep besluit dan een schuiladres te zoeken in de omgeving van Enschede. Er wordt ook een nieuwe marconist afgeworpen. Dit is Sjoerd Sjoerdsma. Met zijn persoonlijke bewaker, Wiebe Soetendal, die aan een grote razzia in Kampen ontkomen was en door Dries Kalter naar Twente was gestuurd, verzorgt hij de zendcontacten tussen Brinkgreve en de bevrijde gebieden. De marconist moest daarbij vaak van plaats verwisselen. W. Soetendal zegt daarover in het boek "De Illegalen":
“We hadden met de zender een week of drie op de boerderij van Rikhof gezeten, in Het Broek, bij Losser. We kregen toen bericht, dat de Duitsers in een café in Losser een peilstation hadden ingericht. We hadden de indruk, dat het hun om ons te doen was en dat wij ons in hun peildriehoek bevonden".
Sjoerdsma en Soetendal, gaan daarom naar de villa "De Poortbulten" bij De Lutte en kort daarop verplaatsen zij zich naar het Lutterzand.
Brinkgreve, die op dat moment in Enschede zit ondergedoken, welk onderduikadres met behulp van kapelaan Piet van de Brink werd gevonden, merkt dat hij maar weinig bewegingsruimte heeft door de grote concentratie Duitsers in Enschede. Daarom is hij op zoek naar een onderduikadres buiten Enschede. Wanneer Henk Brinkgreve hoort dat zijn marconist bij Rikhof is vertrokken, besluit hij bij deze boer zijn intrek te nemen. De koerierster van Henk Brinkgreve, genaamd Ank van de Pol, gaat met hem mee.
Henk Brinkgreve heeft dan ook reeds contacten met Rudy.
Rudy schrijft hierover:
"Fien Dekker zou mijn koerierster zijn. Als zodanig was zij verantwoordelijk voor het ter bestemde plaatse bezorgen van de door mij verzonden berichten en het onderhouden van contacten tussen mij, Dudley en Leo.”

Eind februari 1945 legt Rudy een plan voor aan Dudley en Leo, waarin hij voorstelt uit de verzetsgroepen, mensen te selecteren, die nergens voor terugdeinzen, mensen die overvallen gepleegd hadden en mensen uit de gevangenissen hadden bevrijd. Deze groep van 15 man zal Rudy een korte commando opleiding geven, zodat deze groep te zijner tijd overal in Twente inzetbaar zal kunnen zijn.

Wanneer Henk Brinkgreve intrek neemt in de boerderij van Rikhof in Het Broek, nabij Losser, wordt hij gewaarschuwd dat deze boerderij "besmet" zou zijn. (De Duitsers hebben aandacht voor deze boerderij). Toch neemt Brinkgreve hier zijn intrek.

Henk Brinkgreve doodgeschoten.
Op 5 maart 1945, of kort daarop, in ieder geval kort voor het vertrek van Rudy met het eerste groepje geselecteerden, voor de specialistische training, ontvangt hij het bericht dat Dudley is doodgeschoten. Het enige dat Rudy hierover kan worden mede gedeeld is, wáár het is gebeurd. Het hoe en waarom kan hem niet worden beantwoord. Daarom blaast Rudy de opleiding af, omdat Dudley volledig op de hoogte is van alle organisatorische plannen en structuren, inclusief de adressen. Daarom besluit Rudy een pas op de plaats te maken en rustig af te wachten op de dingen die komen gaan.

 

Rudy noemt de opmars van de geallieerden bij Remagen op 7 maart 1945 en vervolgt:
“Voor ons was dit het sein waarop we zolang hadden gewacht. Leo (Dolf Fleer) en ik richtten dadelijk een hoofdkwartier in op een boerderij tussen Oldenzaal en Hengelo. We kondigden de staat van paraatheid af voor alle districten en zorgden ervoor dat ons hoofdkwartier behoorlijk werd georganiseerd. Leo bemoeide zich voornamelijk met de administratieve kant van ons werk, het opzetten van een orde en veiligheidsdienst voor de periode onmiddellijk na de bevrijding. Zelf bezocht ik alle districten, controleerde de laatste voorbereidingen, hield toezicht bij de laatste wapendroppings en gaf een laatste instructie in het hanteren van de zojuist gearriveerde wapens. Ons moreel kon niet meer kapot. We wisten dat het einde nu snel naderde.

Op 23 maart staken de geallieerden ook bij Wezel de Rijn over, geholpen met door zweefvliegtuigen aangevoerde hulpkorpsen. Vanuit Engeland kregen wij het signaal dat we moesten beginnen met een intensieve sabotagecampagne tegen spoorwegverbindingen, telefoonlijnen en communicatiemiddelen in het algemeen.

Slechts één keer grepen de moffen naar het beproefde wapen van represaille, door 10 burgers dood te schieten en hun lijken tussen Vriezenveen en Almelo aan de bomen te hangen. Toch gingen we door met ons werk; er stond teveel op het spel. De verbindingen in de Achterhoede van het Duitse leger moesten volledig worden lamgelegd.

We wisten dat de geallieerden iedere dag dichterbij kwamen. De Duitsers trokken zich met vrachtwagens tegelijk terug. We gaven het teken dat er nu openlijk tegen de bezetter kon worden opgetreden. Op de zaterdag, die vooraf ging aan onze bevrijding, bevond ik me in Enschede: Hier vandaan hadden we de laatste zending wapens ontvangen. Een dag later ging ik naar Almelo, waar alles in gereedheid was. Twee dagen later was ik in Oldenzaal, waar ik de eerste geallieerde militairen kon begroeten. Het waren Canadezen, en we overhandigden ze een compleet en gedetailleerd overzicht van de sterkte van de Duitse posities in Twente. Na interventie van de BS gaf de Ortskommandant van Oldenzaal deze stad per telefoon over. Hier richtten we een kamp voor krijgsgevangenen in.

Een dag later was ik terug op ons hoofdkwartier, dat nog steeds in bezet gebied lag. We namen er aardig wat vluchtende Duitsers gevangen. Door deze mensen te verhoren kwamen we op de hoogte van het feit dat de hoofdmacht van het Duitse leger bezig was, zich terug te trekken, een inlichting, die ik overbracht aan de geallieerde commandant van Oldenzaal, een Engelse kolonel. Later werd ons gebeld dat een groep Duitsers in de omgeving van Almelo nog weerstand bood; met dit bericht togen we naar de bevelvoerend officier van de in Almelo doorgedrongen Canadezen. Deze weigerde echter er op af te gaan, omdat hij alleen over tanks en niet over infanterie beschikte. We boden onze diensten aan, een aanbod dat hij na enige aarzeling accepteerde. Onze jongens sprongen op de tanks en reden weg. In het bewuste gebied bleven ze drie dagen, totdat eindelijk de laatste mof er uit was verdreven. De Canadese commandant raakte niet uitgepraat over het schitterende werk dat deze ongetrainde mannen hadden gedaan. Ook behoedden we één van de grootste fabrieken van Enschede, voor totale vernietiging. Het dynamiet ervoor lag al gereed, maar we kochten de moffen die met het karwei waren belast om en de springladingen werden niet tot ontsteking gebracht. Er was een gigantisch wapen en munitiedepot in de fabriek ondergebracht. De halve stad had er aan kunnen gaan. We namen in Enschede 4- tot 5000 man krijgsgevangen. Zelf verloren we vijf man. In Hengelo beschermden we het plaatselijke elektriciteitsbedrijf en de telefooncentrale, terwijl we driehonderd man krijgsgevangen namen. Het aantal krijgsgevangenen in Oldenzaal bedroeg honderd vijftig, onder wie twee kolonels. Geen enkele belangrijke brug in Twente werd opgeblazen, dankzij de voorbereidingen van onze BS afdeling ter sterkte van 2000 man.

Begin april 45 was Twente eindelijk bevrijd. Onder de bevolking heerste onbeschrijfelijke vreugde…na vijf jaar wrede onderdrukking was Twente weer vrij. Toch vormde het feit dat het westen van Nederland nog bezet was, een domper op de algemene blijdschap. Veel mensen maakten zich zorgen over hun vrienden en verwanten, hoewel we wisten een kwestie van dagen kon zijn voor heel Nederland bevrijd was.

Nu beschikte ik over een auto, grijs geschilderd en voorzien van een witte ster der geallieerden; onze jongens hadden hem een dag eerder afgenomen van een Duitse kolonel. Ik stuurde de Dekkers bericht dat ze mijn uniform konden opgraven om het te laten stomen en persen (ik had het vier maanden eerder diep in de achtertuin begraven). Slechts enkele weken hiervoor had ik met Dudley gesproken dat het voor mij wel eens lastig of zelfs nadelig kon worden indien ik als sergeant en niet als officier met de verschillende bevelvoerders te maken zou krijgen. Dudley was het dadelijk met mij eens geweest; niemand had kunnen voorzien welke positie ik aan het einde van de oorlog zou bekleden. Daarom gaf hij mij toestemming om de rang van eerste luitenant aan te nemen, terwijl hij me de verzekering gaf dat hij de volledige verantwoordelijkheid daarvoor op zich zou nemen. Dudley zou persoonlijk eventuele moeilijkheden die er uit konden voortvloeien, gladstrijken, beloofde hij. Nu Dudley er niet langer was om dit te bevestigen, moest ik zelf maar bepalen wat het beste was. Ik hakte de knoop door en besloot me zelf te promoveren tot 1e luitenant, in de zekerheid dat het wel in orde zou komen. Ik verzocht de meisjes van Dekker, de onderscheidingstekenen aan te maken en op het uniform te naaien.

Toen Rudy zich met uniform op straat begaf, was hij niet langer een “onderduiker” maar zag men vol bewondering tegen hem op. Journalisten in Vriezenveen, Almelo en Enschede belegerden hem, om vooral maar een interview van hem te krijgen.

Aldus Rudy:
“Het was zondag 8 april 45 toen ik wilde genieten van een rustige dag bij de familie Dekker in Vriezenveen, toen die ochtend een bericht kwam van Leo. Ik moest onmiddellijk naar Enschede komen, omdat er een belangrijk iemand was, die mij wilde spreken. Wie, kon hij mij niet zeggen.

Ik sprong in mijn auto en reed zo snel als het kon naar Enschede, terwijl ik mij onderweg voortdurend afvroeg wie het wel kon zijn. Al bij het bereiken van de stad zag ik dat er iets bijzonders aan de hand moest zijn. Overal waren de straten vol mensen en het kostte me aardig wat moeite het stadhuis te bereiken. Hier stond Leo mij buiten op te wachten. Maar voor ik hem had bereikt, ving ik een glimp op van twee jeeps, met een aantal Nederlandse marechaussees eromheen. Op één van de jeeps ontdekte ik de koninklijke standaard.

Leo trok me dadelijk mee naar binnen en vanaf dat moment ging alles zo vlug in zijn werk dat ik nauwelijks de kans kreeg te vragen wat er allemaal aan de hand was. We bereikten een grote houten deur en toen Leo die opende, ontwaarde ik een grote mensenmenigte, met hier en daar een bekend gezicht er tussen. Er bevonden zich enkele mensen op een podium en in hun midden zag ik iemand in het uniform van een generaal. Leo schreeuwde iets boven het geroezemoes uit en prompt maakte iedereen ruimte om ons door te laten. Mijn hart kwam bijna tot stilstand; het was de prins.

Bij mijn nadering kwam hij mij tegemoet, pakte mijn hand en sprak mij aan bij mijn naam. Hij zei mij dat hij ontzaglijk blij was mij in goede gezondheid aan te treffen. Ik weet echt niet meer was hij allemaal heeft gezegd en wat ik heb gezegd, maar één ding maakte hij mij duidelijk dat hij mijn werkzaamheden op de voet had gevolgd en buitengewoon trots op mij was wat ik tot stand gebracht had. Daarna vertelde hij me hoe het de rest van de commandogroep was vergaan en hoe dapper mijn maats hadden gevochten bij Vlissingen, op Terschelling en andere locaties. Ook bracht hij mij het slechte nieuws van hen die het niet hadden overleefd of zwaargewond waren geraakt. Nadat de eerste opwinding was geluwd, stelde hij mij voor aan zijn beide adjudanten. Eén hunner was kolonel Six.

Prins Bernhard zei dat hij naar Oldenzaal en Hengelo wilde rijden en vroeg me hem te vergezellen. Het eindigde er mee dat we in beide jeeps wegreden. En het nieuws van de rit moet als een lopend vuurtje door heel Twente gegaan zijn, want overal waar we kwamen stonden aan weerszijden van de weg juichende mensen, die hun vreugde nauwelijks konden bedwingen. Toch moeten we Oldenzaal eerder hebben bereikt dan het nieuws, want tot aan het stadhuis bleef alles op straat rustig. De deuren van het stadhuis waren gesloten en het duurde 20 minuten voor iedereen was gewaarschuwd. Rudy stelde de lokale verzetsleiders aan de prins voor.

In Enschede, had Leo inmiddels een grote parade van de BS georganiseerd: honderden mannen, voor het merendeel gehuld in een blauwe overall en met de witte band van de BS om de bovenarm, marcheerden trots langs de prins. In diens gezelschap waren, behalve Leo, ook kolonel Hotz en andere plaatselijke verzetsleiders. Kolonel Hotz was de oud KNIL militair die onder de naam Eduard het verzet in geheel Overijssel en dus ook in Twente had geleid. Ik had hem een week daarvoor pas leren kennen en was vanaf het eerste moment diep onder de indruk geweest. En ik mag er wel aan toevoegen dat het omgekeerde eveneens het geval scheen te zijn.

De prins zei ons dat hij mateloos werd geboeid door alles wat hij van het verzet te zien kreeg. Het werd echter tijd voor hem om te vertrekken. Maar eerst nam hij mij nog even apart. Na het scheen hadden Leo en kolonel Hotz hem gevraagd of ik ze mocht assisteren bij de wederopbouw van het Nederlandse leger in Overijssel. Ze wilden een eenheid vormen die naar Indonesië kon worden gestuurd om tegen de Japanners te vechten. De prins had zijn instemming laten blijken met dit idee, maar had er bij gezegd dat het aan mij zou zijn dit aanbod wel of niet aan te nemen. Het was een geweldige eer voor mij; hoe had ik ooit kunnen weigeren. De prins verzekerde mij dat ik na een verlof in Engeland zou mogen terugkeren naar Twente. Daarna zei hij me dat ik me voor verdere instructies inzake mijn uitstapje naar Engeland moest melden op zijn hoofdkwartier in Breda. Gezamenlijk escorteerden wij de prins naar zijn privé vliegtuig, dat op een landingsbaan voor hem gereed stond. Die dag was er in geheel Overijssel geen man te vinden die trotser en blijer was dan ik……

Na de bevrijding hield Rudy zich nog bezig met het opzetten van een nieuw leger, voortkomende uit de BS, dat ingezet zou worden in Indonesië, om te strijden tegen de Japanners. Eén bataljon werd gelegerd in Vriezenveen, één in Enschede en één in Ede. Rudy ging steeds meer met tegenzin dit werk doen, omdat de oude officieren van 1940, die na de capitulatie, trouw de bevelen van de Duitsers hadden opgevolgd, zich steeds meer gingen melden en deden alsof het leger nog hetzelfde was als voor de oorlog. Iets waar Rudy een gruwelijke hekel aan had gekregen….

Hij emigreerde in het voorjaar van 1946 naar Amerika. 

Overeenkomst tussen Rudy met Blonde Piet.
Aan het feit, dat Rudy met steeds meer tegenzin zijn werkzaamheden verrichtte, omdat hij zag dat bijvoorbeeld de oudere garde officieren, die in de bezettingsjaren, op geen enkele wijze iets hadden bijgedragen aan de bevrijding van Nederland, terwijl hij over deze officieren toch al geen goed woord over had, weer de overhand gingen nemen en de werkzaamheden weer op dezelfde wijze gingen uitoefenen zoals zij dat voor de oorlog ook hadden gedaan, terwijl Rudy dacht dat hij binnen het bevrijdingsapparaat, mede door zijn werkzaamheden, een bepaald niveau had bereikt, hierin kennelijk enorm teleurgesteld is geraakt. Waarschijnlijk emigreert om die redenen binnen een jaar vanuit Nederland, naar Amerika.

Blonde Piet die binnen de NBS als compagnies commandant toch veel leidinggevend werk had gedaan en zelf meer dan dat van hem verwacht kon worden, verbleef als commandant van de NSB gevangenis, tijdens het bezoek prins Bernhard aan Enschede, in deze NSB gevangenis gevestigd in de fabriek van Scholten aan de Haaksbergerstraat, op ongeveer 500 meter van het centrum, alwaar alle verzetslieden bijeen gekomen waren om de prins te begroeten. Niemand die hem waarschuwde, laat staan uitnodigde om de prins te begroeten. Zelfs op de vraag die de prins stelde wie "Blonde Piet" was, er een ander naar voren werd geschoven. Daarom was het voor Blonde Piet passé. De oorlog was voorbij. Uit alle hoeken en gaten kwamen personen naar voren, die er een slaatje uit wilden slaan. Allen mensen die beter gesitueerd waren en ook beter konden praten dan dat Drentse wevertje, dat voor de oorlog gewoon achter zijn getouw in de fabriek stond.
Ook Piet wilde weg uit Nederland. De eerste keer waren het plannen voor Zuid Afrika en later nog een keer voor Canada. Voor Blonde Piet was de bevrijding niet, wat hij er van verwacht had. En dat zou hem zijn leven lang blijven vervolgen, zonder er teveel woorden aan vuil te maken....

 

 Naar boven

 <<<<<<< Terug naar de homepage                                                                                 Eén page verder>>>>