Overval op het politiebureau te Enschede



Het politiebureau van Enschede in de jaren 60.


Gepleegd te Enschede, d.d. 1-9-1944.
Piet heeft over deze overval niets verklaard en deze is door mij, o.a. aan de hand van het dagrapport van de wachtcommandant van politie te Enschede, gereconstrueerd:

Er komen steeds meer wapendroppings vanuit Engeland, welke wapens voor het verzet bestemd zijn. Voor het transport zijn vervoermiddelen nodig. De Knokploegen van Enschede, Zenderen, Almelo en Achterhoek, gaan in deze periode steeds meer samenwerken en gebruiken als uitvalsbasis het hoofdkwartier van de KP Zenderen, huize Lidwina, dat centraal is gelegen in het Twentse land.

Om aan vervoermiddelen te komen,wordt het plan opgevat om het politiebureau in Enschede te overvallen en de auto's die daar aanwezig zijn mee te nemen. Omdat het om een politiebureau gaat, wordt een groot aantal medewerkers van de KP opgeroepen om mee te doen.
Dit zijn:
Piet Alberts, Dolf Fleer, Klaas van Harten, Cor Hilbrink, Jan Hillenaar, Johannes ter Horst, Frans Kleinbrinke, Koos Michel, Dirk Ruiter, Geert Schoonman en Gerrit Verbeek.

Het plan:
Het plan wordt als volgt gemaakt:
In de nacht van donderdag, 31 augustus- op vrijdag 1 september 1944, zullen twee van de groep verzetslieden zich vervoegen bij het politiebureau en een verhaal ophangen, dat zij de laatste trein hebben gemist en daarom onderdak op het politiebureau wensen. Wanneer de wachtcommandant hen dan heeft binnen gelaten, zullen ze de wachtcommandant en de overige politiemensen, onder schot nemen en dan overgaan tot het meenemen van de voertuigen.
(In mijn boek schrijf ik dat vermoedelijk Johannes en Geert naar binnen zullen gaan. Hier kom ik op terug, omdat mijns inziens het risico te groot zal zijn, dat één van de agenten hen zal herkennen. Gemaskerd naar binnen gaan is geen optie. Dus het blijft voor mij open wie van de overvallers naar binnen zullen gaan. (Ik noem ze Ov. 1 en Ov. 2) Zeker is wel dat één der overvallers zeer goede plaatselijke bekendheid heeft in Hardenberg en de ander een Westers accent zal moeten hebben gehad.

De actie:
Het is vrijdag 1 september 1944, te 00.15 uur, wanneer Ov. 1 en Ov. 2 het politiebureau in Enschede binnenstappen. Ze kloppen op het raam, waarachter de wachtcommandant zit. De wachtcommandant is voorzichtig en doet niet de tussendeur open.
Via het loket vraagt hij: "Heren, wat kan ik voor u doen?"
O.v.1: "Wij komen uit Hamburg en zijn op weg naar onze woonplaatsen. Mijn collega moet naar Rotterdam en ik naar Hardenberg. Er lopen geen treinen meer en kunnen dus niet thuiskomen. Wij hadden eerst op het station willen slapen, maar dat is niet toegestaan. Kunnen wij hier overnachten?"

Behalve de brigadier-wachtcommandant is er ook nog een agent in de brigadierskamer, die het gesprek meekrijgt.

De wachtcommandant: "Dan wil ik eerst uw persoonsbewijzen zien!".
Ov. 1. :  "Dat is nu juist het probleem. Op het station hebben de Duitsers onze persoonsbewijzen afgenomen".
W.cdt.  "Moet u luisteren, ik kan u geen onderdak verlenen, zonder dat u zich kunt legitimeren!"
Ov. 1.:  "We zijn drie maanden in Hamburg geweest en hebben ons daar rot gewerkt. Nu is mijn vader overleden en begraven en krijg ik van de politie geen onderdak. Wat zijn dat voor manieren!"

De wachtcommandant probeert zekerheid te krijgen en vraagt:
            "Waar woonde uw vader in Hardenberg?"
Ov.1.  "Hij woonde tegenover het kringhuis van de W.S.B. Gelooft u ons niet?. Wat moeten wij nu? Op straat gaan in spertijd en opgepakt worden?"
De wachtcommandant begint  nog meer te twijvelen en na een poosje zegt hij:
            "Nou, vooruit, komt u maar binnen".

De wachtcommandant loopt vervolgens het gangetje in, naar de deur, die toegang verschaft tot de hal, alwaar de twee mannen staan te wachten. Hij draait de deur van het slot en opent deze.
Op dat moment lopen de mannen richting deze deur, elk een pistool uit de jaszak halend en richten de lopen op de brigadier. Voordat Ov.1. en Ov.2 hun bedreigingen met woorden waar kunnen maken, zoals het in het verleden ook al vaak goed gegaan was, slaat de brigadier in een reflex de pistolen van zich af en duikt hij de brigadierskamer in. Om nog iets te redden, schieten de overvallers door de deur van de brigadierskamer.
De dienstdoende agent heeft inmiddels ook zijn pistool gepakt en schiet tevens door de deur in de richting van de overvallers. Wanneer de overvallers voor het loket te zien zijn, schiet hij tevens met zijn wapen op de ruiten van het loket.
De wachtcommandant loopt dan door de wacht naar de vestibule om van daar het gevecht voort te zetten.

De overvallers zien dan in dat verdere actie zinloos is en vertrekken via de voordeur. Op straat zijn nog een paar politiemensen aanwezig, waardoor nog enige schoten worden gelost door de overvallers.

Na deze mislukte overval wordt de kapitein Korpschef en de opperluitenant Bruining met het voorval in kennis gesteld, die even later aan het bureau verschijnen, evenals de Sicherheitsdienst en de Feldgendarmerie.
De posten, die permanent staan opgesteld op het stadhuis, de Ebbinkmaatstraat, arbeidsbureau's en Bataafsche, zijn gewaarschuwd om extra op hun hoede te zijn.

Na deze mislukte overval gaan de KP'ers ieder zo snel mogelijk huns weegs. Dat de politie actie zal ondernemen is wel zeker. Dus rustig houden.

De jongens van de KP Enschede rijden met hun auto zo snel mogelijk naar hun hoofdkwartier, de boerderij "De Holterhof".

Bertha Kempers de ex-verloofde van Geert Schoonman:

"Het was niet allemaal zonder gevaar. We zijn vaak door het oog van de naald gekropen.
Zo een keer dat de Knokploeg een overval pleegde op het politiebureau in Enschede. Deze mislukte. Met de auto zijn ze toen razendsnel in de richting van onze boerderij gereden, achtervolgd door auto's van de SD.
Vlak voor de villa "de Holterhof" liep een smal weggetje, dat normaal nauwelijks te zien was en dat bij de boerderij uit kwam. Je kon daar rondrijden en kwam aan het eind weer op de straat. Dit toegangsweggetje was onverhard. Het was toen nogal drekkig. Toen de jongens van de knokploeg bij ons binnen zaten en goed en wel dachten dat de kust veilig was, werd er op de deur geklopt. Johannes wierp een revolver op de tafel. De anderen deden dat ook en verdwenen naar buiten. Kennelijk om de Duitsers het idee te geven dat ze nu ongewapend waren en in paniek de vlucht hadden genomen.
Even later hoorde ik van buiten een gedeelte van "het Wilhelmus" fluiten. Dit was een teken dat de kust veilig was. Het bleek dat één van de KP'ers aan de deur had geklopt.
Daarna ben ik op onderzoek uitgegaan en zag dat in het toegangsweggetje, in de modder duidelijke afdrukken stonden van de autobanden. Het zou onmiddelijk opvallen wanneer ik die sporen b.v. met een bezem weg zou maken. Dat kon je dan duidelijk zien. Ik heb vervolgens een dertig tal emmers met water gehaald en zo alle sporen weggespoeld. Vanaf die tijd was onze boerderij niet zo zeker meer en gingen de KP'ers van Enschede, steeds vaker naar het hoofdkwartier Lidwina in Zenderen.
Wel kwamen steeds onderduikers en piloten, die tijdelijk door ons geholpen werden."


Uiteindelijk ontstaat op het hoofdkwartier Lidwina te Zenderen een vaste kern KP'ers, bestaande uit 17 personen, te weten:
J.ter Horst, C.Hilbrink, G.Schoonman, J.Hillenaar, G.Verbeek, D.Ruiter, F.Kleinbrinke, D.van Harten, H.Michel, D.Fleer, P.Alberts, H. Visser, A. Bakker, J. Morsink, J. Ekkel, H. Saathof en Ch. Ploeger.
Alleen de KP Almelo bleef min of meer zelfstandig opereren.


 

Naar boven

<<<<<<<<<                                                            >>>>>>>