Overval op het huis van bewaring te Arnhem deel 2


Zoals in deel I beschreven is Harry inmiddels met een vrachtwachten, verstopt achter balen meel, overgebracht van Apeldoorn, naar Enschede, en zal voor verdere genezing verblijven op het KP-hoofdkwartier, de boerderij "De Holterhof" te Enschede.
Via bevriende relaties binnen het politiekorps te Enschede, is nu duidelijk geworden dat vooral het signalement van Geert met z'n rode haren opvalt. Hij laat daarom z'n haren zwart verven. De bevriende arts van de familie Kempers, komt regelmatig naar Harry kijken.

 


Boerderij De Holterhof

Zo is er genoeg te doen, om er voor te zorgen dat de Knokploeg kan blijven voortbestaan.
Precies een week later moet de tweede poging plaatsvinden. Piet zal hierbij aanwezig zijn.

Piet:
"De tweede poging. Weer daarheen (want Bob, (Scheepstra) dat was de baas van de K.P. van geheel het oosten des lands, die bereidde deze kraken voor) Weer op dezelfde manier. Met de agenten gelukte het, maar zij zeiden dat wij het niet doen moesten, want het was onmogelijk van die kant.

De derde keer zijn wij er wel geweest, maar toen ging het helemaal niet door. Waarom weet ik zo niet meer."

De vierde keer:
"Zaterdagavond in Arnhem (10 juni 1944), met 7 man en een meisje uit Nijmegen moest het gebeuren. Wij zaten met z'n drieen bij elkaar en stuk voor stuk vroeg Johannes: "Geert, hoe denk jij over deze zaak?" "Het zal zwaar worden. Ik reken op slachtoffers", was zijn antwoord. "Piet en jij?" "Als wij er maar weer uitkomen!" Was mijn antwoord. 150 mensen konden wij het leven redden, dus dat stond op de eerste plaats".


Opmerking: Je kunt vanaf nu merken dat Piet veel korter van stof wordt. Op papier doet hij de daadwerkelijke overval met één regel af. Voor mij nog steeds onbegrijpelijk.

Aldus Piet::"Wij hadden dan ongeveer 80 mensen bevrijd. "(Dit bleken uiteindelijk 54 bevrijden geweest te zijn).

Omdat Piet zelf maar één regel aan de werkelijke toedracht van deze overval aan het papier toevertrouwt, volgt hier de toedracht:
Ontleend o.a. aan "De dubbele slag in Arnhem" van Jan Hof en "de Illegalen" van Coen Hilbrink

Zondag 11 juni 1944 is de dag waarop het moet gebeuren en wel tussen twaalf en twee in de middag. De Duitsers zullen met alles rekening houden, maar dat er uitgerekend tijdens het zondagse middagmaal een overval zou kunnen plaatsvinden, is zonder twijvel niet ingecalculeerd.
Snel wordt het actieplan uitgewerkt. Maar alles staat of valt met de aanwezigheid van de directeur van het Huis van Bewaring. Het idee om "dominee Rademaker" voor een gesprek over "de geestelijke belangenvan de gedetineerden" langs te sturen, blijft gehandhaafd. De "dominee" zal vergezeld worden door zijn "echtgenote". Dat wekt meer vertrouwen en direct staan er dan ook twee mensen bij de deur, die indien nodig handelend kunnen optreden. Deze "echtgenote" is Petertje van de Hengel uit Hamersvelt. Zij zit ook in het verzet en is werkzaam als koerierster voor de KP zuid.
Er moet ook een plan gemaakt worden om de bevrijde gevangenen snel af te kunnen voeren, anders zou een bevrijding alsnog niet zinvol zijn. Er zitten Arnhemmers tussen, die, via hun eigen contacten,  direct wel ergen onder kunnen duiken. Maar er zijn ook velen die van elders komen. Daarom zal elk der bevrijden een bonkaart en 10 gulden krijgen.
Het tijdstip van de overval valt uitermate gunstig om weg te komen, doordat omstreeks dat tijdstip treinen vertekken naar Utrecht en naar Nijmegen.
Het huis van "Tante Spiek", aan het Eusebiusplein, niet ver van de gevangenis gelegen, dient voor één gedeelte van de groep als uitvalsbasis. Het andere gedeelte komt vanuit een pand aan de St. Jansbinnensingel.

En zo gaan, op die zonnige zondagochtend, negen KP´ers op pad. Dat gebeurt pas nadat de leider Bob zich ervan heeft vergewist dat de directeur thuis is. Dit blijkt in eerste instantie niet het geval te zijn. Omdat Bob de coordinatie heeft, laat hij zijn vrouw op de uitkijk staan om het moment af te wachten wanneer de directeur terug is van het ommetje. Bob en Evert van Boven, vormen het communicatiepunt van de KP´ers.
Het is 12.40 uur wanneer Froukje Scheepstra meldt dat de directeur weer thuis is.
Daarna krijgen Johannes en Petertje het seintje dat ze naar de directeurswoning kunnen gaan. Arm in arm wandelen ze naar de voordeur en bellen aan. De andere KP´ers zijn in de directe omgeving en gelukkig voor hen vallen ze niet op, omdat juist op dat moment  de Rooms katholieke kerk leegstroomt.
Nadat Johannes heeft aangebeld, zegt Petertje tegen Johannes: "Jij hebt mijn pistool nog!". Zenuwachtig pakt Johannes snel het pistool en wil dit aan haar overhandigen. Door de zenuwen laat hij het echter op de grond vallen. Net op tijd, kort voordat de deur open gaat, weet Petertje het pistool onder haar kleding te verbergen.
Dan gaat de deur open en zien Johannes en Petertje de diecteur in de deuropening staan. Johannes, die zijn zenuwen weer in bedwang heeft, zegt dan op rustige toon:" Mijn naam is Rademakers en dit is mijn vrouw. Ik ben dominee in Rotterdam. Ik zou graag even met u willen spreken over de geestelijke nood van mijn, hier gehuisveste kerkleden". "Goed, komt u maar verder!" zegt de directeur en tijdens deze woorden opent hij de deur nog verder om "de dominee en zijn vrouw" binnen te laten.
Vanaf een afstand ziet Bob dat het "echtpaar" wordt binnen gelaten; hij wacht een ogenblik en licht vervolgens (als signaal) even zijn hoed op en ziet dan twee van zijn mannen, Geert Schoonman en Piet Alberts, op de woning af gaan, zonder problemen de deur openen en ook naar binnen verdwijnen.
Direct nadat de deur door de directeur werd dicht gedaan, pakt Johannes zijn pistool en drukt dit onder de neus van de directeur. Petertje heeft inmiddels de voordeur weer op een kier gezet, om het binnetreden van de andere KP´ers mogelijk te maken.
In de woning zijn behalve de directeur, ook zijn vrouw, de zoon en een oude tante aanwezig. Zij worden naar een kamer gebracht en daar opgesloten.
Daarna zegt Johannes tegen de directeur: "Ik wil de sleutels van de cellenblokken en een beetje snel graag!"
De directeur wenst echter niet mee te werken en zegt: "Ik heb vandaag een vrije dag en daarom beschik ik niet over de sleutels. Ik kan u jammer genoeg niet verder helpen. Het spijt me voor u!" Door zijn woorden wordt hij nog meer gesterkt en gaat vervolgens met woorden in de aanval: "Maar waar bent u in hemelsnaam mee bezig! Wanneer ik de sleutels zou hebben en deze aan u zou geven, krijg ik grote problemen. Stop toch met die onzin!"
Johannes speelt wat met zijn pistool, kijkt de directeur aan en zegt: "De sleutels en gauw een beetje!" Dan begint ook de vrouw van de directeur zich met de zaak te bemoeien. Ze zegt: "Schande is het wat hier gebeurt. Jullie komen zo binnenvallen. Ik ben aan het koken en nu dit!"
Piet Alberts zegt dan tegen haar: "Dat met dat eten, dat kan wel later worden dan gepland, want ik heb het gas uitgedraaid. De aardappels kunnen dus niet aanbranden."
Wanneer de directeur nog niet overstag gaat, begint Geert Schoonman ongeduldig te worden. Hij kijkt de directeur indringend aan en zegt tegen hem: "Direct de sleutels! En zo niet, dan kunt u nu beter van uw vrouw afscheid nemen. Ons geduld is op!"
Geert richt vervolgens zijn pistool op de directeur. Door het dreigement van deze grote gestalte en de manier van spreken, krijgt de directeur eindelijk in de gaten dat dit geen spelletje is en hij beter mee kan werken.
Dan loopt hij op de muurkast af, pakt daar een sleutelbos uit en gooit die op de grond, daarbij zeggend: "Hier heb je ze! Ik heb er niets mee te maken. Het is jullie eigen verantwoordelijkheid!"

Vervolgens wordt de familie, vanuit de kamer, waar ze eerst ingesloten zaten, overgebracht naar de ontvangstcel. Onderweg daar naar toe geeft de oude tante aan de verzetsjongens te kennen, dat zij het een goede zaak vindt wat ze aan het doen zijn.

Inmiddels, zijn met korte tussenpozen, ook Joop Abbink, Piet Niewold, Dirk van Harten en Koos Michel, het huis binnen gekomen. Koos houdt zich, als wachtpost, verder in de hal op. De anderen kunnen zich met de sleutels gemakkelijk de toegang verschaffen tot de cellen, want hun contactman, binnen de gevangenis, Joop van Veldhoven, had voor een goede plattegrond gezorgd. Daarop is precies aangegeven waar de telefoons zich bevinden, zodat die uitgeschakeld kunnen worden.

De bewakers zijn zo verrast, dat zij eenvoudig overmeesterd kunnen worden en kunnen in een cel opgesloten worden.
De voor hen belangrijkste man die bevrijd dient te worden, is Joop Zwarts, daartoe begeven twee KP´ers zich naar cel 42 op de bovenste ring, alwaar hij geboeid en vastgeketend aangetroffen werd.
De dienstdoende bewaker doet verder niet moeilijk en gooit spontaan de sleutelbos naar de KP´ers, waarna Zwarts bevrijd kan worden.
Hierna worden meer dan 100 celdeuren geopend, van personen die voor de SD ingesloten zitten. De KP´ers maken de gevangenen duidelijk dat ze nu vrij zijn en weg kunnen, maar lang niet iedereen durft van die gelegenheid gebruik te maken, ook al omdat voor sommigen de straf er bijna op zit. (
Een aantal heeft deze beslissing, zo later is gebleken, met de dood moeten bekopen. Zij verdwenen naar concentratiekampen in Duitsland en keerden niet terug)

Uiteindelijk verkiezen 54 mannen en vrouwen de vrijheid. Ze zullen in kleine groepjes via de hoofdingang aan het Walbrugplein de gevangenis verlaten, ieder voorzien van een bonnenkaart en 10 gulden, om de terugreis per trein te kunnen betalen. Zij die bekent zijn met de plaatselijke situatie worden verzocht de onbekenden de weg naar het station te wijzen.
Zonder dat iemand ook maar iets in de gaten heeft, kunnen de bevrijde gevangenen en de KP´ers het gevangenisgebouw verlaten en de gevangenen ieder zijns weegs gaan. Pas als iedereen is ondergedoken of op weg is naar huis, wordt in Arnhem de zondagsrust verstoord, door groot alarm naar aanleiding van de gepleegde overval..

Te omstreeks 14.00 uur van die dag, gaat het groepje verzetsmensen, die in Twente woonachtig is, ook weer richting huis. Dit doen ze uit veiligheidsoverwegingen niet direct. Per fiets gaan ze eerst binnendoor naar Apeldoorn. Vanuit Apeldoorn zal het met de trein verder gaan, als de kust veilig is. De ontmoetingsplaats was net buiten Arnhem op de hoek van de Schelmseweg. (Met welke kruising, is mij niet bekend)


 


Schelmseweg anno 1929


Opmerking Over de toedracht, na de overval, wordt Piet ineens weer veel uitvoeriger en komen een paar leuke details naar voren.

Piet vervolgt:
"Op de terugweg moesten wij op elkaar wachten. Net buiten Arnhem wachtten wij nog op Johannes, want die moest zijn scheerapparaat nog ophalen. Wij waren wel een beetje kwaad, maar enfin, dat kenden wij van hem wel.
Wij waren allen op de fiets en zo gingen wij dan fietsend naar Apeldoorn. Daar zouden wij in de trein stappen naar Enschede.

Onderweg was nog controle door de moffen. Wij hebben dan nog een poosje in een zijweg gewacht tot zij weg waren. In Apeldoorn zijn wij naar Joop (
Abbink) zijn huis gegaan. Dat was de adjudant van Bob(Scheepstra). Daar wat gegeten en toen naar de trein. Eerst gekeken of het station vrij was. Dit bleek zo te zijn.
Op het station liepen wij niet bij elkaar, zodat wij niet de aandacht zouden trekken. Wij gingen wel bij elkaar in de coupé zitten.
Onderweg zat Gerrit (Deze naam is zeer waarschijnlijk foutief. Er was geen Gerrit bij aanwezig. Dit moet hoogst waarschijnlijk Geert geweest zijn. Piet heeft zijn verhaal niet zelf geschreven en de schrijver zal de naam verkeerd verstaan hebben. Of het is simpelweg een vergissing van Piet) een beetje met zijn pistool te spelen en liet het aan een oud mannetje, dat tegenover hem zat, zien als hij tenminste een andere kant uitkeek. (
Hoe Piet dit bedoelde is mij niet duidelijk: Had Geert het pistool in zijn hand, op die momenten dat het oude mannetje niet keek?).
Johannes kreeg slaap, omdat van een flesje chloroform, dat bij zich had, de dop was losgeraakt.
Zo kwamen we in Delden aan, waar ik uit het raam keek, terwijl de te passeren trein, uit de richting Hengelo (O), ook op het perron, tegenover ons, stopte. Uit die trein keek Breteler ook uit een raam en riep mij. Ik zei tegen Johannes: "Daar roept ons één". Johannes keek nu ook. Zo stapten wij uit de trein en vervolgens in de trein bij Breteler. Die ging weer terug naar Zutphen. Daar moest een kraak op het Huis van Bewaring plaatsvinden.
Met deze kraak heb ik niet meegedaan, want ik moest hen, die in Enschede waren waarschuwen, dat alles goed was. Wat dat was ook hard nodig, want er stonden een paar vrouwen bij de trein die erg zenuwachtig waren. Johannes zijn verloofde, Geert zijn verloofde en mijn vrouw."


Natuurlijk is de SD gealarmeerd en hebben de jacht op deze "terroristen" en de ontsnapte gevangenen geopend.
Door de politie wordt een alarmeringsbericht verzonden, die te 17.20 uur ook bij de wachtcommandant van politie te Enschede binnenkomt en als volgt luidt:


Op 11-6-44, te omstreeks 12.40 uur, heeft een overval plaats gehad op het Huis van Bewaring te Arnhem, waarbij een aantal arrestanten van de SD zijn bevrijd.

Signalement daders:
1e. Een jongeman, ong 1,68 m. droeg bril, lichte regenjas, beschaafde spraak.
2e. Een jonge vrouw, lang ong. 1,60 m. donker haar en droeg een klein hoedje.
Verder waren er nog een 7 à 8 personen bij betrokken waarvan geen signalement is.
In opdracht van de SD moeten posten worden uitgezet op wegen en rivierovergangen. Scherpe controle op persoonsbewijzen. Vooral auto's moeten worden gecontroleerd.
Van personen die zonder persoonsbewijs worden aangetroffen, moet nauwkeurig de identiteit worden vastgesteld.
Dit bericht werd opgenomen door opperwachtmeester Achterbosch, die tevens de Kapt.Korpschef (Berends) en opperluitenant Bruining in kennis heeft gesteld.


Op het moment dat dit bericht binnenkomt zijn waarschijnlijk de meeste van de bevrijde personen al weer thuis, althans op een veilige plek ondergedoken. De SD zal zeker naar de woonadressen gaan om hen te zoeken.


  

 
Eén van de sleutels van de cellen in het Huis van bewaring te Arnhem.

   

 

Bob Scheepstra had na de overval de bos sleutels nog in zijn bezit, die hij, samen met zijn vrouw, vervoerde in een kinderwagen. Later, waarschijnlijk na de oorlog werden een paar sleutels als herinnering bewaard. O.a. één bij de weduwe van Johannes ter Horst (Zie de site van Johannes ter Horst) en Piet en Annie hadden er één. Van meer is mij niet bekend. Deze sleutel hing een levenlang bij Annie en Piet, aan de muur in de woonkamer, aan een in de oorlogstijd gemaakte sleutelhanger met en Nederlandse 3-kleur en oranje, met daarop de "W" van Wilhelmina.

 

Eén van de bevrijde gevangenen speurde na de oorlog zijn bevrijders op. Onder andere vond hij Piet Alberts, als één van zijn bevrijders. Dit was de burgemeester van Rossum (Gld).
Genoemde burgemeester stond als nummer 46 in het opsporingsregister van bevrijde gevangenen. Gelukkig werd hij nadien niet meer gearresteerd en kon later in vrijheid dit bedanktje doen.

Deze persoon is genaamd:
Adrianus Ferdinand Goelst-Meijer, geboren te Amersfoort, 14-8-1892, wonende te Rossum (Gld), Burgtstraat A83

 


De door de burgemeester geschreven brief.

 

De inhoud van deze brief:
 

Zeer geachte heer Alberts.
Na lange tijd zoeken, is het me gelukt de adressen te krijgen van hen
die aan de overval op het Huis van Bewaring te Arnhem hebben deelgenomen.
Ook ik hoorde toen tot de bevrijden.
Het is mij vergund u zeer hartelijk dank te betuigen voor het moedige
en gevaarlijke werd, waaraan u hebt meegewerkt.
Zonder uw hulp behoorde ik niet meer tot het land der levenden.
Mag ik deze dankbetuiging vergezeld laten gaan met kersen?

Met de meeste hoogachting:
A.F. van Goelst Meijer
Rossum (Gld)


Na deze overval gaat Piet naar huis, begint weer zijn onderduikadressen te bezoeken en werkzaamheden die in de illegaliteit altijd moeten gebeuren en wacht rustig af tot hij weer iets hoort van Johannes, want dat is voor hem de man waar hij zijn opdrachten van krijgt.........

Opmerking: Van de bevrijden, op de lijst van de SD waar 48 namen op stonden, was er geen enkel persoon uit Twente bij.
 

Naar boven

<<<<<<                                                               >>>>>