(Under construction)

Wat gebeurde er met de overige zegenaamde " jodenjagers"?


Zoals u hebt kunnen lezen, werd de "jodenjager" Pieter KAAY, werkzaam als officier bij de politie, kort nadat hij in Enschede te werk was gesteld, op de Kuipersdijk in Enschede, doodgeschoten.

Drie belangrijke “jagers”, werkzaam bij de gemeentepolitie overleefden de oorlog en moesten zich voor het gerecht verantwoorden voor hun (wan)daden.

Dit waren behalve de korpschef Antonie Berends, ook Jan van Limburg (alias “Jan met de Kappen”) en Keimpke de Groot, beiden werkzaam bij de gemeentepolitie te Enschede.

  

Rechtzaak tegen: Jan van Limburg

Overgenomen uit het dagblad Tubantia, d.d. 25 april 1947:

 

De wandaden van Jan met de Kappen

"Het is verschrikkelijk" zegt hij zelf.

Tot het laatste ogenblik toe heeft Jan van Limburg gisteren bij de behandeling van zijn zaak voor het Bijzonder Gerechtshof te Almelo volgehouden dat de beschuldigende verklaringen door de tegen hem gehoorde getuigen afgelegd, gelogen waren. "Het is niet waar meneer" herhaalde hij telkens en als hij wat al te zeer in het nauw gedreven wordt en inziet dat men weinig geloof hecht aan zijn ontkenningen, zegt hij maar dat hij er zich niets meer van kan herinneren.

 

Het meest typerende voor de mentaliteit van Van Limburg, de man die voor de oorlog bogen kon op een voortreffelijke staat van dienst, waarvoor hij 7 maal eervolle onderscheidingen verwierf, was zeker de uitlating, die hij eens gedaan zou hebben tegen W.G.Bakker, toen hij ontdekte dat deze Joden verborgen hield:"Ik had allang met pensioen kunnen gaan, maar ik zal niet eerder rusten voordat ik alle in Enschede ondergedoken Joden te pakken heb!".

Natuurlijk ontkende Van Limburg dat nu ook, hetgeen hem de opmerking van de president bezorgde:

"Het is toch wel merkwaardig dat alle getuigen hier zo maar staan te liegen, vindt u niet?"

En dan boog Jan van Limburg maar weer zijn grijze hoofd, berustend in de wetenschap dat niemand hem meer gelooft.

Eén der rechters stelde hem de vraag: " Waarom ging u door met uw verfoeilijk werk, terwijl u inzag, zoals u zelf zegt, ten minste, hoe verkeerd het was?"

Van Limburg: "Ik weet het werkelijk niet meneer".

Van Limburg wist ook "werkelijk" niet dat reeds voor 10 mei 1940 in Duitsland de Joden aan vervolging bloot stonden en naar ons land probeerden uit te wijken.

De president, Mr. V.d.Kun, vroeg hem of hij wist dat men hem in Enschede de "Jodenslager" noemde. Ook dat wist Van Limburg niet.

De president: “In 1943 werd u benoemd tot "chef-huiszoeker" is het niet?”

Van Limburg ontkent dat hij dit "beroep" ooit heeft uitgeoefend.

Stilletjes voor zich heen naar de grond starend hoort hij de verklaring aan die de 30-jarige fabrieksarbeidster Ha.Ten Cate- Ter Morsch aflegt en waarbij ze snikkend vertelt dat Jan van Limburg haar niet toestond haar 7 maanden ouden Jodenkindje, dat ze bij zich in huis genomen had, zelf naar Arnhem te brengen, vanwaar het volgens hem naar een kinderinrichting zou worden gebracht.

De president: "Naar de gaskamer zeker!".

Door een toevallige omstandigheid is het kindje blijkbaar aan de vernietigingsdood ontsnapt want het is teruggekomen en verblijft nu bij een Joodse familie in Velp, die het kleine wicht nu opvoedt, omdat de vader en moeder in de Duitse concentratiekampen het leven hebben gelaten. "Ik wou het zo graag terug hebben", snikt de jonge vrouw.

Ook de getuige W.G.Bakker, die opgehaald werd omdat hij Joden onderdak verschafte, is in leven gebleven en later uit Duitsland teruggekeerd. Hij is de enige van een transport van 84 personen die naar het concentratiekamp bij Leipzig werd gebracht.

 

Een eindeloze reeks…

Er zou een schier eindeloze reeks van deze droevige geschiedenissen te vertellen zijn, waar Jan met de Kappen de hand in heeft gehad. Opzettelijk had de Procureur fiscaal, Mr. De Walle, hem echter slechts die feiten ten laste gelegd, waarin hij handelde op eigen initiatief, dus zonder opdracht van zijn superieuren Schöber, chef van de SD en Berends, destijds waarnemend korpschef van de politie te Enschede, wiens gunsteling en hielenlikker hij uit eigen vrije wil is geweest. En deze feiten zijn al verschrikkelijk genoeg.

Zo heeft Van Limburg de navolgende personen van Joodse bloede gearresteerd en overgegeven aan Berends, die er ook wel weer weg mee wist en op zijn beurt bevorderde dat deze mensen van wie er geen  terugkeerde, in de Duitse concentratiekampen het leven lieten. Het zijn:

M.Wertheim, Clara Gans, Kaufer, de uit vier personen bestaande familie De leeuw, Doris Heimans, S. Leveman, B.Winselberg, M. van Zuidenen, Ca. van Zuiden-Swartbroek, welke twee laatst genoemden bij de fam. V.a.Brand in de Bekerstraat uit huis werden gehaald en tenslotte Rebecca Hartog, Jansje Hartog, A.H.Hartog, Betje Hartog en Jetta Heijmans, die allen bij Scheer in de Van Riebeekstraat werden aangetroffen.

                       

Van Limburg geeft toe dat het verschrikkelijk is en hetzelfde zegt hij wanneer de procureur fiscaal tenslotte de doodstraf tegen hem eist……..

Om één zaak uitgebreid van Jan van Limburg weer te geven, heb ik het verhaal, beschreven in de genealogie van Grada Wilhelmina Ebbers uit Boekelo weergegeven:

 

Zij is getrouwd met Carel Bel op 4 maart 1932 te Doetinchem, zij was toen 29 jaar oud.Bronnen 4, 5

Getuigen: Gerrit Ebbers, 34 jaar, pakhuisknecht en Evert Bel, 26 jaar, timmerman

Het gezin van: CAREL BEL en GRADA EBBERS.

Carel, * 29-05-1903, leerde het klompenmakersvak, "met de hand", bij Hendrik Ebbers van de "Bosboom" te Doetinchem.
Grada, * 09-07-1902, was dienstbode in Doetinchem-Stad, bij de familie Sachtleven (Groothandel in graan en zaden).
Ze leerden elkaar kennen op de zangvereniging.

Op tweede Pinksterdag in het jaar 1927 fietste Carel vanuit Doetinchem via Borculo en Haaksbergen naar Boekelo, waar nog geen klompenmaker gevestigd was. Hij bouwde daarna met zijn broer Evert een werkplaats aan de Windmolenweg 51 tegenover de Landbouwbank en de Coöperatieve Melkinrichting.
Carel vestigde zich officieel op 02-10-1928 te Boekelo, Gem. Lonneker (op 01-05-1934 werd dit Gem. Enschede), aan de Windmolenweg 51 met een eigen Klompenmakerij. Hier maakte hij gemiddeld vijf paar klompen per dag, zonder hulp van machines.
Hij was in die tijd in de kost bij de familie Harwich, op nr. 50, schuin tegenover de werkplaats.
Na het huwelijk op 04-03-1932 te Doetinchem gingen zij aan de overzijde van de werkplaats wonen op nr. 34.
Hier werden de vier kinderen Harry, Willemien, Ben en Carel geboren en groeiden er op.
Carel sr. was jarenlang diaken in de kerkenraad van de NH kerk.
Als hobby had hij een groententuin en was hij imker met circa 22 bijenkasten.

In de oorlog 1940-'45 zat Carel in het verzet.
Vier Duits-Joodse Palestinapioniers, in opleiding te Twekkelo, vonden in 1943 een onderduikadres op de zolder van de werkplaats.
(Zie: L.F. van Zuilen, PALESTINAPIONIERS IN TWENTE, 1933-1945; EEN VERGETEN HOOFDSTUK (Enschede 1995; ISBN-74064-07-8)
Door verraad werd Carel met de vier jongens, van rond 21 jaar oud, op Woensdag 10-11-1943 om circa 07.45 uur opgepakt.
Carel kreeg 6 maanden Concentratiekamp Amersfoort (onder kampnummer P.D.A. 3226) en overleefde dit. (Zie boek "Kamp Amersfoort")
De vier jongens werden allen door de Duitsers ["Moffen"] vermoord, o.a. in Flossenburg, Midden-Europa en Auswitz. (Zie kopie politie rapport.)
Een joods meisje van 4 jaar, Carry de Vries uit Neede, werd thuis op No 34, bij de huiszoeking niet opgemerkt. Ze zat verstopt in bed onder de dekens en overleefde de oorlog.
Zij woonde, in 1998, gehuwd met Paul Joseph in Bussum, Koningslaan 66.
Carel en Grada hadden hier niets van geleerd. De laatste oorlogswinter 1944/45 vond een Joods echtpaar, Simon van der Horst en zijn vrouw uit Steenwijk/Enschede, een onderdak thuis op de zolder. Simon bewoog zich betrekkelijk vrij in de omgeving van Boekelo, vanwege een vals Persoonsbewijs onder de naam van Johannes Hessels (zie kopie + boek).
Tevens zorgde Carel voor vervoer per fiets, langs de Duitse bezetter en voor onderdak bij de fam. G.Kamp op No 49 (achter de werkplaats) van een Canadese piloot, Milton Jowsey uit Ontario, Box 85312, Parkstr. POMINO.
Hij was met een jachttoestel (Spitfires) in Buurse, Gem. Haaksbergen, dicht tegen de Duitse grens neergestort (ca. Febr./ Mrt. 1945) en kwam daarna in een zomerhuisje terecht, waarna de bewoonster, een Duitse, bij Carel Bel (die ze vertrouwde), om hulp vroeg. Hierbij liep alles goed af.

Hierna volgt een afschrift van het Politie arrestatie rapport.

Politie Enschede.

RAPPORT:

Op Woensdag 10 November 1943 des voormiddags te omstreeks 8 uur, heb ik, Jan van Limburg, (Alias "JAN MET DE KAPPEN"), Hoofdwachtmeester van politie te Enschede, in de klompenmakerswerkplaats van Carel Bel, geboren te Doetinchem 29 Mei 1903, van beroep klompenmaker, wonende Windmolenweg No 34 te Boekelo gemeente Enschede de navolgende ondergedoken joden aangehouden en overgebracht naar het Bureau van Politie te Enschede.
1e. Max Flaksboom, geboren te Duisburg (Dl.) 1 Januari 1925, van beroep reclameschilder, voorheen wonende te Enschede Strootsweg No 460.
2e. Alfred Heimann, geboren te Cartrop Rauscel (Dl.) 6 September 1924, van beroep schoenmaker, voorheen wonende te Enschede Strootsweg No 460.
3e. Siegfried Lahemann, geboren te Rotenburg (Dl.) 11 Maart 1920, van beroep bankwerker, voorheen wonende te Enschede Strootsweg No 460.
4e. Bernard Winselberg, geboren te Kiel (DL.) 21 Juni 1923, van beroep meubelmaker, voorheen wonende te Enschede Strootsweg No 460.
Al deze personen zijn ter beschikking gesteld van den Kapitein van Politie, Corpschef te Enschede.
Naar waarheid opgemaakt en geteekend den 10 November 1943.

Gezien
de Kapitein van Politie, Corpschef,

Wie was de verrader?
Op 7 Mei 1998 ging ik (HBB), na schriftelijke toestemming van inzage, naar het Ministerie van Justitie te Den Haag, om het dossier uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging ten name van: Jan van Limburg (alias "Jan met de Kappen"), geb. 23-04-1881 te Olst (Akte No 40), overleden te Raalte, te onderzoeken.
Dit om de naam van de "verrader" te kunnen vaststellen.
Het zou een Jachtopziener moeten zijn, waarvan ik de naam niet kende en waarover vader Carel, vanwege te weinig bewijs, geen werk van heeft gemaakt en hierover verder zweeg. Carel wist echter wel dat dié man wat van de ondergedoken joden kon weten, vanwege zijn verzetswerk.

Uit de verklaringen van "Jan met de Kappen", over de arrestatie van "BEL" in November 1943 vond ik als tipgever, "verrader", de naam van Buring, jachtopziener in Driene te Enschede.
Deze had als tegenprestatie voor het terugontvangen van een in beslag genomen jachtgeweer en een radio, de tip gegeven maar eens bij de klompenmaker Bel in Boekelo te gaan kijken naar ondergedoken Joden.

De volledige indentiteit van deze jachtopziener is:
Klaas Albertus Johannes Buring, geboren te Stad-Hardenberg, 25 sept. 1902 (Akte No 44), wonende te Enschede, Drienerveldweg 110, overleden op 01-04-1969.
Hij was ook op 9 sept 1943 door Jan van Limburg gearresteerd (één maand voor Carel Bel), vanwege het onderduiken van een joodse student bij hem thuis met een vals persoonsbewijs.
Toen deze jongen wilde vluchten werd hij door een assisterende wachtmeester, uit diens pistool, in zijn linker dijbeen getroffen.
Tevens werd beslag gelegd op een jachtgeweer en een radio.
K.A.J. Buring werd slechts zeer kort gestraft. Hij had ontkend, te weten dat deze jongen een jood was, aldus zijn verklaring. Ook verklaarde hij wel zijn best te hebben gedaan om het geweer (i.v.m. z'n werk) en de radio terug te krijgen, hetgeen was gelukt zonder tegenprestatie ???.

Carel Bel brak vlak na de oorlog vrij vlot met het snel groeiende aantal "verzetsmensen". Het ontdoen van haren bij vrouwen die hadden samengewerkt met de Duitsers was voor hem een stap te ver. Hij heeft zich tegenover ons als kinderen weinig uitgelaten over de oorlog. Wel liet hij zich eens ontvallen dat veel NSB'ers tijdens de oorlog uit domheid lid waren geworden of uit angst.

Tijdens de gevangenschap van november 1943 tot mei 1944 van Carel in kamp Amersfoort waren achtereen volgens twee onderduikers in ons gezin (werk-weigeraars in Duitsland), die de verkoop en reparatie van klompen, voor zover nog aanwezig, zo goed als mogelijk was in gang hielden.
Dit waren:
1e - Een jongeman ± 19 jaar oud uit Velp: Henk ..?.
2e - Gerrit Meerdink ± 30 jaar uit Rotterdam, gehuwd, zoon van de tuinman van het kasteel te Ruurlo en vriend van oom Bertus Ebbers een jongere broer van Grada. Hij was werkzaam geweest als butler op dit kasteel.
3e - Na kamp Amersfoort was gedurende een aantal maanden in 1944 een courierster Beppie Snabel uit A'dam of Arnhem bij ons thuis, zij verzorgde o.a. de verbindingen tussen verzetsmensen enz. Zij vertrok na de oorlog naar Australië.

Circa 1948 ging het klompenmakers - handwerk over in machinaal werk, waardoor de eigen productie werd opgevoerd en dus de verkoop van het eigen model klomp. Tot in de verre omgeving haalde men klompen "naar maat" bij Carel Bel.

Nog enige wapenfeiten jan Jan van Limburg:

Op 2e Paasdag 1943: Het verraad van ondergedoken Joodse meisjes. (Zie page “Antonie Berends”).
Op 8 april 1943: Het verraad van onderduikers door de meteropnemer (Zie page “Antonie Berends”)
Op 2 juli 1943: Hij haalt, samen met Pieter Kaay, bij de familie Weener aan de
Broekheurnerweg te Enschede, een joods jongetje uit huis. (Zie de pages “Moord op Pieter Kaay 1 en 2”).

Wie was Jan van Limburg?

Wanneer je dit allemaal zo leest, stel je jezelf vanzelf de vraag: "Hoe komt zo iemand er bij, die als "oude rot in het politievak" en gewaardeerd werd om zijn vakkundigheid, zich zo laat afglijden en zich ontpopt als een mens zonder mededogen en vol haat jegens Joden en ander denkenden tekeer ging. Maar ook  jonge jongens arresteerde, die bij het ranchgeerterrein, voor hun moeders, uit de wagens gevallen kolen sprokkelden. Hij was daarom zo gehaat, dat hij zich en zijn gezin zich uiteindelijk in Enschede niet meer zeker voelde.

 

Het gezin van Jan van Limburg.

Jan trouwde op 13 mei 1909, in Heino, met Gerritje Weulink.  Hij was toen 28 jaar oud. Uit dit huwelijk werden te Enschede twee dochters geboren. Op 26 september 1909: Reintje Lammerdina Gerrezina en op 14 mei 1911: Alberta Hermina van Limburg. Ze woonden op het adres Gronausevoetpad 118 te Enschede.

Op 10 mei 1940 (inval Duitsers in Nederland) was Jan 59 jaar. Aan het einde van de oorlog was hij 64 jaar.

Hij kwam in het jaar 1909 als agent in dienst bij de politie te Enschede en in het jaar 1919 werd hij bevorderd tot brigadier.
In het jaar 1931 kwam hij bij de recherche. In het jaar 1934 had hij zijn 25 jarig ambtsjubileum. Tijdens een toespraak, op dit jubileum, werd hij geëerd om zijn goede kwaliteiten als politieman.
Niemand had in die tijd gedacht dat hij zich zou ontpoppen als een fanatiek jodenjager en vanaf die tijd werd gezien als één van de meest gehate politiemensen van het korps.
Oudere collega´s anno 2002, kenden nog steeds de politieman, die in de oorlogsjaren “Jan met de Kappen” werd genoemd. Hij hield er zulke waanbeelden op na, dat men welhaast moest geloven dat hij geestelijk niet in orde was, of verschrikkelijk in de ban was geraakt van de toespraken van Adolf Hitler.
Hij geloofde ineens in een zuiver Arisch ras en Joden moesten uitgeroeid worden. Jan verklaarde eens: “Ik zal niet eerder met pensioen gaan voordat alle joden gearresteerd zijn!”
In november 1940 werd hij lid van de NSB. Op 31 december 1940 werd hij reeds chef propagandist voor het rechtsfront.
Korpschef Berends haalde Van Limburg al spoedig uit de normale dienst en belastte hem met speciale opdrachten. Deze bestonden in hoofdzaak uit het opsporen, aanbrengen en arresteren van ondergedoken personen en dan voornamelijk Joden. Door zijn toedoen werden in 1943, in Enschede, reeds 73 Joden op transport gesteld naar Westerbork. In 1944 kwamen hier nog een aantal bij, zodat Van Limburg aansprakelijk gesteld kon worden voor de dood van ongeveer 100 Joodse mensen.

 

Incident nabij het rancheerterrein van het Zuiderspoor te Enschede:

In de tweede helft van het jaar 1944 surveilleerde Jan van Limburg veel nabij het Zuider Spoor te Enschede om daar mensen op te pakken die, van treinwagons gevallen, steenkolen verzamelden. De BS´er Klaas Nijenbrink, was hierover geïnformeerd en was daardoor zó boos geworden, dat hij het moment afwachtte dat Van Limburg daar weer in de buurt zou zijn. Hij was gewapend met een stengun met volle patroonhouder. Dat kon hij doen omdat hij dicht bij het Zuiderspoor woonde.
Op een avond, toen Jan van Limburg daar weer surveilleerde en hij Klaas zag riep hij: “Halt of ik schiet!” Klaas antwoordde: “Kun je krijgen!” Vervolgens schoot Klaas de hele patroonhouder van zijn stengun op Van Limburg leeg.
Kennelijk werd Jan niet geraakt, maar dit maakte op hem toch enorme indruk, want behalve deze aanslag op zijn leven, kreeg hij steeds meer met dergelijke bedreigingen en aanslagen te maken en dit werd hem uiteindelijk te veel.
Daarom besloot hij, om op 22 september 1944, dit was kort na “dolle dinsdag” toen ook vele andere N.S.B.`ers in paniek de vlucht namen, met zijn gezin, naar Duitsland te gaan. Dat hij niet meer op het bureau verscheen, werd gezien als “het zich aan de dienst onttrekken”. De NSB burgemeester J. H. Oonk verleende hem daarom op 23 oktober 1944 oneervol ontslag.
Toen de rust na enige weken terug was gekeerd, keerde hij met zijn familie terug in Enschede. Het oneervol ontslag dat de burgemeester hem had verleend, werd door de luitenant-kolonel van de Gestapo, W. H: Wijnkamp ingetrokken en kon Van Limburg weer aan de slag. Op hoger niveau werd het oneervol ontslaan van Van Limburg ten zeerste afgekeurd. Zelfs Korpschef Berends kreeg via burgemeester Oonk, een uitbrander van de gewestelijke politiepresident, luitenant kolonel J.E. Feenstra.

Jan van Limburg die tevens op goede voet stond met de Enschedese chef van de Sicherheitsdienst, Schöber, kon weer naar hartenlust speuren naar Joden.
 

Bij Koninklijk besluit van 9 april 1948 werd de doodstraf omgezet in levenslange gevangenisstraf. Hij diende zijn straf uit in de Bijzondere Strafgevangenis te Leeuwarden. In 1956 volgde wederom strafvermindering. Deze werd toen vastgesteld op 17 jaar en 9 maanden.

De intussen in geestelijk en lichamelijk zeer slechte toestand verkerende man, werd van maart 1952 tot juli 1953 verpleegd in het Centraal Ziekenhuis te Vught. Later, na 1956 werd hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de voorwaarde dat hij het grondgebied van Enschede nimmer meer mocht betreden. En dat was maar goed ook, want de haat onder de oud- verzetsstrijders was zo groot, dat hij zeker voor zijn leven te vrezen had.
Op 14 januari 1960 kwam zijn vrouw Gerritje Weulink in Raalte te overlijden en in datzelfde jaar, op 22 augustus 1960 stierf ook Jan van Limburg, te Deventer, op 80- of 81 jarige leeftijd. (bron: Historisch Centrum Overijssel)

 

 

Rechtszaak contra rechercheur Keimpke de Groot.

 

Als bijzonderheid dient hier nog opgemerkt te worden dat dit de politieman was met wie Bernardus Nierkens, die door het verzet werd geliquideerd, goede contacten onderhield.

                  

Uit het dagblad Tubantia d.d. vrijdag 25 april 1947.

 

Hulp bij arrestaties van Joden

 

De Groot voelt zich niet schuldig

 

Zoals wij gisteren reeds meldden, heeft de procureur fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Almelo, tegen de ex-rechercheur van politie te Enschede K. de Groot, die o.m. ten laste was gelegd dat hij twee Joden zou hebben gearresteerd, althans aan de arrestatie daarvan zou hebben meegeholpen.

 

Verschillende leden van het Enschedese politiekorps zaten in de banken om de behandeling bij te wonen van de zaken van de ex-Enschedese politieambtenaren, zoals o.m. Van Limburg, werden behandeld.

De Groot ontkende dat hij behulpzaam was geweest bij de arrestaties.

"Ik ben alleen meegegaan", zo verklaarde hij, "om te kunnen ingrijpen als er iets gebeurde".

De president: "Dat noemen wij hulpverlenen?".

Op alle mogelijke manieren probeerde De Groot te bewijzen dat hij onschuldig was. Hij putte zich uit in verzinsels, draaide overal omheen en beweerde zelfs dat hij evenals Van Limburg niet anders kon. Ook deze verkeerde volgens hem in een moeilijke positie.

Ten slotte in het nauw gebracht door de vragen van het Hof, gaf hij verschillende dingen toe, doch daarop verschool hij zich achter opdrachten, die de superieuren hem zouden hebben gegeven.

Een der raadsheren merkte op, dat dit natuurlijk niet uitgesloten is, maar dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen een bevoegd en een onbevoegd gegeven bevel. Het rapport dat destijds door hen is opgemaakt van de arrestatie van een der Joden, noemt De Groot onjuist. Het was volgens hem inderhaast opgemaakt en hij heeft er niet zo gauw bij stilgestaan dat het op ambtseed werd opgemaakt. De Jood moest volgens hem zo spoedig mogelijk op transport worden gesteld.

Een der raadsheren verweet hem daarop, dat hij met de Duitsers heulde, wat De Groot uiteraard ontkende en dat hij zelfs aan een burgemeesterscursus heeft willen deelnemen. Zeker om later met ijsco's te venten …….(stukje niet te lezen)...

 

Uit verschillende verklaringen is komen vast te staan dat De Groot de Duitse overrompeling op 10 mei 1940 als een verlossing beschouwde. In een sollicitatiebrief schreef hij, zich wel in staat te achten de leiding van het Enschedese politiekorps op zich te nemen met nationaal socialistische steun.

De rechercheur van politie H.Postma, verklaarde vervolgens als getuige, dat De Groot reeds voor de oorlog "anti-Joods" was. In de nacht na de dood van Kaay zaten Van Limburg en De Groot volgens getuige in een commissie, die onder leiding van de SD bezig was te trachten de dader van deze opruiming op te sporen..

Getuige heeft De Groot in een auto zien zitten, van waaruit door middel van een versterkerinstallatie de mannelijke bevolking van Enschede werd opgeroepen om werkzaamheden voor de moffen te verrichten. Getuige heeft De Groot niet voor de microfoon zien spreken, doch dat heeft de groentehandelaar J.J.Reinders, de volgende getuige wel gezien. "Kan niet!" zegt De Groot. Maar getuige Reinders zegt dat hij duidelijk de stem van verdachte heeft gehoord. Vervolgens werden nog zes getuigen a de-charge gehoord, die verklaringen aflegden, welke zeker niet als "ontlastend"  voor De Groot kunnen worden beschouwd. Enkelen zeiden zelfs niets goeds van verdachte te kunnen zeggen.

De procureur-fiscaal eist daarop 15 jaar gevangenisstraf met aftrek.
 

Rechtzaak contra: rechercheur Van Gent.

 

Uit het dagblad Tubantia d.d. vrijdag 25 april 1947

 

Van Gent toont zich zeer verbaasd.

Vervolgens staat de ex-rechercheur van politie te Enschede, A.G.van Gent terecht omdat hij tijdens de bezetting aan de waarnemend korpschef Berends zou hebben verteld dat inspecteur Bruining en Mr. Van Hattum bezig waren voorbereidingen te treffen voor de organisatie van de O.D. (Orde Dienst) na de bevrijding en wegens het tegenover Berends noemen van de naam van de politieagent Th.van Dellen in verband met het neerschieten van Kaay.

Een der eerste opmerkingen die Van Gent maakte was, dat hij verbaasd stond van de beschuldiging van de president dat hij de NSB- methodes heeft gevolgd. Hij ontkent tevens ooit bij de politie gezegd te hebben dat hij nationaal socialistische sympathieën had. Desondanks werd hij door iedereen in het korps geschuwd en was men bevreesd voor verraad. Dat deze vrees niet ongegrond was, is later wel gebleken toen Van Gent aan Berends vertelde dat inspecteur Bruining met illegaal werk bezig was. Berends gaf dat toen door aan de SD en die gevolgen had Van Gent, naar zijn zeggen, niet voorzien:

"Het lag niet in mijn aard iemand in moeilijkheden te brengen". Zegt hij nu, "en het spijt met erg dat dit gebeurd is. Ik wist van inspecteur Sanders dat inspecteur Bruining hiermee bezig was en ook inspecteur Sanders vond dat verkeerd".

Van Gent ontkent dat hij tegenover Berends ook de naam van Mr.van Hattum heeft genoemd. Eveneens ontkent hij na de dood van Kaay tegen Berends gezegd te hebben dat de hoofdagent Van Dellen hiertoe wel in staat was. Van Dellen werd later door de SD gearresteerd en heeft drie maanden in Scheveningen gezeten.

Bij de dood van Kaay heeft Van Gent een walgelijk artikeltje geschreven in het politieblad. Hij beschouwde het als moord, maar zijn opvattingen waren overigens in vrijwel alles nationaal socialistisch. Dat de Duitsers Rotterdam bombardeerden vond hij hun volste recht. Nu ontkent hij deze uitlatingen ooit te hebben gedaan, doch inspecteur Bruining en de commissaris van politie te Zutphen, de heer Bergsma, indertijd inspecteur te Enschede, weten zijn geheugen wel een beetje op te frissen. Evenals De Groot geeft Van Gent zich maar niet zo gewonnen, maar zijn draaierijen zijn te doorzichtig en er is niemand die veel geloof aan zijn woorden hecht.

Op grond van de getuigenverklaringen eiste de Procureur- Fiscaal ten slotte vier jaar gevangenisstraf met aftrek van het jaar, dat hij al geïnterneerd is geweest.

De verdediger Mr.Van Rhijn drong aan op het horen van inspecteur Sanders als getuige, waar het hof niet verder op in wilde gaan. Wel werd op voorstel van de Procureur-Fiscaal, Berends, die in het Huis van Bewaring te Almelo verblijft, als getuige gehoord.

Berends getuigt tegen Van Gent

Uit de figuur, die daarop wordt binnengebracht herkent men niet meer de ex-korpschef Berends. Met holle ogen, diepliggend in de weggezonken oogkassen, kijkt hij in de zaal. Nog even probeert hij zich flink te houden als hij binnen komt "Morning" mompelt hij half binnensmonds als hij enige gezichten herkent, maar eenmaal voor het hekje staand, is hij vrijwel een gebroken man, die zachtjes en half apathisch antwoord geeft op de vragen, die hem door de president worden gesteld.                                    

Hij draait er niet omheen, weet zich alles niet direct meer tot in details te herinneren, maar als hij even op weg geholpen wordt weet hij toch weer precies waar het om gaat. Hij heeft blijkbaar niets meer te verliezen: Met doffe stem zegt hij:                           " Van Gent heeft mij de namen van Van Hattum en Bruining genoemd en die heb ik beiden doorgegeven aan de SD. Pas na die tijd heb ik er met Sanders over gesproken.

Daarmee is de zaak afgedaan, doch de verdediger blijft de mening  toegedaan dat het beter ware geweest wanneer ook Sanders was gehoord, omdat deze in de hele zaak een belangrijke rol heeft gespeeld.

 

Ik denk dat Sanders, opgeroepen als getuige in deze zaak, op dat moment al veel duidelijkheid had kunnen verschaffen,

waardoor later minder vragen open gebleven zouden zijn.

Jaren nadien was er nog zoveel onduidelijkheid over de persoon Sanders, dat er boeken over geschreven zijn. O.a. “de affaire Sanders” van C. Hilbrink en ook in het boek van dezelfde auteur, getiteld: “Vogelvrij verleden”.