De liquidatie deel 4

Bernardus zijn jeugd.
Bernardus Nierkens, geboren in het jaar 1885, te Oud Zevenaar, werd al vroeg wees en daarna opgevangen door iemand die een hoge functie in het leger had. Door deze man kreeg hij als kind al een soort militaire opvoeding, welke zijn verdere leven in belangrijke mate zou beïnvloeden. Je moest je als “man” gedragen en daar horen geen emoties bij! Natuurlijk ging hij als jongeman zelf ook in dienst en werd ingedeeld bij het Korps Rijdende Artillerie, de z.g. “Gele Rijders”. Na deze diensttijd, werkte hij bij de Koninklijke Marechaussee.

Het huwelijk
Hij trad in het huwelijk met Johanna Elferink en zij woonden onder andere in Arnhem, Ruurlo, Hengelo, Ootmarsum en in Tubbergen. In Tubbergen was Bernardus reeds bij de politie. In totaal werden er vijf kinderen geboren.

De kinderen
Drie meisjes en twee jongens. Twee meisjes werden te Arnhem, geboren in het jaar 1915. Eén in januari en de ander in september. De dochter Gerda werd  in 1922, te Ootmarsum geboren. Zoon Jan, die in 1926 in Tubbergen werd geboren en zoon Wim, die op 26 februari 1917 in Arnhem werd geboren, kregen van hun vader Bernardus een opvoeding zoals hij die vroeger zelf ook gekregen had. Een echte militaire opvoeding die van zijn jongens “sterke mannen” moest maken.
Dat de jongens bijvoorbeeld in de tuin speelden, vond vader maar nutteloos en zette beiden direct aan tot werken, zoals fietsen poetsen en onkruid wieden. Hoe hij met zijn dochters omging weet ik niet, maar dat laat ik ook maar in het midden.
Binnenshuis ging het ook zo door. Wanneer moeder Nierkens druk was met de huishouding, moesten de jongens het weer ontgelden met bijvoorbeeld de woorden: “Zie je niet dat je moeder aan het werk is?”

De schoolopleiding moest lukken, geen twijfel mogelijk. Zijn zoons Wim en de negen jaar jongere Jan, gingen niet eerder naar school alvorens ze een degelijke inspectie van hun vader hadden gehad: schone nagels, schoon achter de oren, schone knieën etc.
Wanneer het op school eens een keer niet lukte, kregen de jongens van hun vader, het nodige te horen: “Je kunt altijd nog met veters langs de deur gaan of stratenmaker op zee worden!”
Beide zoons voldeden daarna niet aan de verwachtingen van hun vader. Wim, die een goede leerling was, wilde automonteur worden. Dit zinde vader Nierkens in het geheel niet. Toch ging Wim zijn gang en volbracht met succes deze opleiding.
Ook Jan kon goed leren en eindigde op de lagere school als één van de beste leerlingen. Toch had vader geen hoge dunk van hem en stuurde Jan naar de ambachtschool. Jan voelde zich daar ongelukkig en na een jaar, ging hij van school en kwam onder behandeling van een zenuwarts te staan.
Wat Jan zijn hele leven niet vergat, was het feit, dat toen hij bij voetballen zat, zijn vader slechts één maal was komen kijken. Daarbij had hij meer steun aan zijn oudere broer Wim, die wel geregeld bij hem kwam kijken.
In ieder geval was vader Bernardus, niet de ideale vader voor zoon Jan. Jan betitelde zijn vader als “ontzettend mopperig” en “had overal commentaar op”.  Tevens zou vader lijden aan vroegtijdige aderverkalking.
Wim Nierkens
Toen Wim met zijn schoolopleiding klaar was, ging hij als automonteur in een garage in Tubbergen werken en later, na de verhuizing, in 1938 naar Enschede, bij verschillende garages in deze stad. Hij ging zo zijn eigen weg en trok zich niets meer aan van wat zijn vader, die met de dag meer begon te mopperen, allemaal tegen hem zei.
Jan beschreef zijn broer Wim als een eenvoudige stille jongen die zijn werk deed. Wel haalde hij, kattenkwaad uit, dat als zoon van een politieman natuurlijk uit den boze was. ’s Zondags ging hij een partijtje biljarten, maar echte vrienden had hij niet en die kwamen ook niet bij hen over de vloer. Later kreeg hij verkering met een vriendin van een zus van hem.


Wim en de mobilisatie
Ook Wim, werd net als veel jonge mannen, voor de oorlog opgeroepen voor de algehele mobilisatie. Hij was als automonteur gelegerd in het Brabantse Boekel en had het beheer over een reparatiewagen. Toen de oorlog uitbrak moest hij van Boekel naar de Maas en vandaar terugtrekkend richting Den Bosch, Tilburg, Breda, Rosendaal en belandde tenslotte in Domburg in een hospitaal, i.v.m. zijn opgelopen verwondingen.

http://www.oorlogsmusea.nl/artikel/1528

De zoektocht naar Wim
Toen de oorlogshandelingen voorbij waren, kwam bij de familie Nierkens geen bericht over het lot van hun zoon en broer Wim. Samen met een meisje uit Losser, is vader Bernardus op zoek gegaan, beginnend in Boekel en het spoor vervolgend, totdat hij op de weg, tussen Tilburg en Breda, de reparatiewagen aantrof, waaruit hij op kom maken, dat zijn zoon Wim hierin gereden zou moeten hebben. De wagen was doorzeefd met kogels. Uiteindelijk vond hij zijn zoon terug in het ziekenhuis in Domburg. Wim lag daar met o.a. de navolgende verwondingen:
een verbrijzelde knie, een verbrijzeld scheenbeen, een schot onder de longen, een schot in zijn zijde, een bajonethouw over zijn pols en een schampschot aan zijn hoofd. Dus Wim was zwaargewond.
Toen vader Bernardus eenmaal wist waar zijn zoon was, heeft hij pogingen in het werk gesteld om hem dichter bij huis te krijgen. Eerst ging Wim hij naar Bergen op Zoom. Verder vervoeren vond men een te groot risico en uiteindelijk kwam hij in het ziekenhuis in Utrecht te liggen.
Ondanks de botte en kleinerende gedragingen tegenover zijn zoons, is hier toch weer een “echte vader” aanwezig, die alles voor een zoon in het werk stelt.


Hoe was Bernardus in Tubbergen?
Bernardus was een jaar of 20 toen hij eerst bij de Marechaussee en later bij de
Rijkspolitie werkte. Dus dat was net na de 1e wereldoorlog. Hij wilde een goed politieman zijn en het maakte hem niet uit, wanneer hij tijdens de uitoefening van zijn dienst af en toe tegen “zere benen schopte”.


De misstanden                      
Zo was na deze oorlog, het station van Oldenzaal een waar smokkelwaarstation. Nederland dat in die oorlog neutraal was gebleven, had voldoende goederen die in Duitsland afgezet konden worden.
Hij ontdekte dat fabrikanten uit Enschede, hele wagonladingen aan goederen lieten smokkelen. Hij maakte daarvan direct melding bij zijn superieuren, die hem echter mededeelden dat hij buiten zijn boekje was gegaan. Hij moest zich niet met spooraangelegenheden bemoeien. Dit irriteerde hem enorm en het gaf hem een gevoel van onrechtvaardigheid. Hij moest kleinen pakken en bekeuringen uitschrijven, terwijl de “groten” konden doen en laten wat zij wilden.
Op een gegeven ogenblik wilde Bernardus onbezoldigd veldwachter worden. De burgemeester van Tubbergen wilde hier echter niet aan meewerken en weigerde een handtekening te zetten voor deze benoeming. Hij waarschuwde de burgemeester dat hij zich niet bij deze beslissing neer zou leggen en ging net zo lang door met zoeken, totdat hij een reden had gevonden, die voldoende belastend voor deze burgemeester was, dat deze zich genoodzaakt voelde om af te treden.


(Wanneer dit juist mocht zijn, is de afgetreden burgemeester genaamd, Leo Petrus Johannes ten Holder, die van 1910 tot 1923 dienst had gedaan. In 1923 werd deze burgemeester voor korte tijd opgevolgd door de locoburgemeester G.J.Masselink in datzelfde jaar opgevolgd door T.C.L. Luijckx.)                                  

Bernardus maakte door dit handelen, binnen het politiekorps en ook daarbuiten, geen vrienden. Juist wanneer hij weer eens van zich liet horen, wanneer er een superieur was die de eer van een zaak naar zich toe trok, terwijl Bernardus wist dat deze eer die persoon niet toekwam en hij dit dan openlijk liet weten, maakte voor hem de werkomstandigheden steeds moeilijker of misschien zelfs onmogelijk.
In die tijd, die niet te vergelijken is met het heden waarin hij dat deed, waren deze gedragingen onacceptabel.


Bernardus en de bevolking
Onder de bevolking van Tubbergen was hij een gezien figuur. De eenvoudige man vond altijd een luisterend oor en zoals gezegd, wanneer hij onrecht rook ging hij er direct op af.
De denkbeelden die hij daarbij had, waren o.a. ontleend aan de Bellamy- beweging (1), waar hij ook lid van was.Ook was hij betrokken bij grootschalige onderzoeken, o.a. de dubbele moord in Oss.
(Vermoedelijk de in de nacht van 15 op 16 mei 1934, gepleegde roofmoord op de bejaarde gebroeders Antonius en Piet Verhoeven in Ooijen, een dorpje aan de Maas)

http://historischhuis.nl/recensiebank/review/show/76

Verder had hij goede contacten met Duitse politie -instanties i.v.m. smokkelpraktijken. Deze contacten werden hem tevens niet in dank afgenomen.
 
(1)
(Bellamy had aan het eind van de vorige eeuw in boeken als Looking backward:
2000-1887 en Equality een maatschappij voorgespiegeld waar de absolute gelijkheid heerste, die Jezus reeds voor ogen zou hebben gehad. Ieder zou in gelijke mate in de welvaart delen, het geld zou zijn afgeschaft en het volk zou beslissen over de leiding van een land. Evenals bij het marxisme was deze nieuwe maatschappij het onafwendbare eindpunt van de geschiedenis, maar in tegenstelling tot Marx geloofde Bellamy dat dit eindpunt niet door middel van klassenstrijd maar door samenwerking tussen de klassen werd bereikt.
De ideeën van Bellamy vonden vooral in de middenklassen gretig aftrek. In Nederland
ontstond de eerste Bellamy-beweging in 1927 in Rotterdam, vijf jaar later gevolgd door de oprichting van de Internationale Vereniging Bellamy (IVB). De beweging, die zich de verspreiding en verwezenlijking van Bellamy's idealen ten doel stelde, telde eind jaren dertig reeds zo’n 10.000 leden.
Van partijpolitiek hield de IVB zich volledig afzijdig. Deze opstelling ondervond echter nog voor de Duitse inval reeds weerstand bij een klein deel van de aanhang.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog, toen de IVB op last van de Duitse bezetter was
opgeheven, ontstond bij enige leden het plan om na de oorlog niet langer slechts propaganda voor het Bellamy-ideaal te maken, maar om daadwerkelijk door deelname aan verkiezingen invloed te verkrijgen binnen de Nederlandse politiek. Daartoe werd op 30 mei 1945, luttele weken na de Duitse capitulatie, door zes IVB-leden in Groningen de Nederlandse Bellamy-Partij (NBP) opgericht.
Voorzitter van de partij werd J. Derksen Staats. Het doel van de partij was, zoals het in een kort daarna
gepubliceerd manifest heette, ‘de Bellamy-economie in de praktijk te brengen, op basis van volstrekte naastenliefde’.)
 
Uiteindelijk werd Bernardus afgekeurd, omdat hij aan aderverkalking zou lijden. Of dit daadwerkelijk het geval was of dat men van hem af wilde, laat ik in het midden.
In ieder geval blijkt uit de, aan mij ter beschikking gestelde, stukken dat door de Commissaris der Koningin in de provincie Overijssel, aan B.H. Nierkens als veldwachter der gemeente Tubbergen, op verzoek van de Burgemeester te Tubbergen, eervol ontslag werd verleend, welk ontslag op 1 mei 1938 in zal gaan. Ook een begeleidend schrijven van de Minister van Justitie bevestigd dit eervol ontslag.
En wel gelet op artikel 98, eerste lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement:

Artikel 98
1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge het bepaalde bij
artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement en bij de 62
artikelen 95, 96, 96a, 96b, 96c en 97 van dit besluit en bij artikel 125e, tweede lid van de
Ambtenarenwet, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:
a. het verlies van een vereiste voor de benoembaarheid, door het bevoegde gezag
gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen
voor de aanvang van het ambt geldt;
f. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

Niet helemaal is uit deze artikelen op te maken wat de ontslagreden is. Er worden vele genoemd. Ook ontslag door ziekte, zoals eerst werd gesteld, staat daar bij.

Ook werd aan hem, op 16 augustus 1938, een pensioen toegekend.
Hij was toen pas 53 jaar oud. Diep teleurgesteld door de gang van zaken en veelal alles nu nog meer negatief bekijkend, uitte hij zich ook zo tegenover de leden van zijn gezin en daarbuiten. Hij miste zijn politiewerk en de waardering die hij daarvoor kreeg of verwachtte.


Ook gedurende de bezetting, kon vader Bernardus zijn mond niet houden en sprak zich bijvoorbeeld openlijk uit over de geweldige regeling voor kinderbijslag, die de Duitsers hadden. Daar kon men in Nederland nog een puntje aan zuigen. Dat deze opmerkingen, niet bij iedere Nederlander in goede aarde viel was duidelijk, en gingen al snel de eerste geruchten rond over het feit dat hij pro- Duits zou zijn en nationaal socialistische sympathieën had.
 
De verhuizing naar Enschede
Het gehele gezin verhuisde vervolgens naar Enschede en zij verbleven daar tijdens het uitbreken van de oorlog.
Bernardus kon het niet laten zo af en toe naar Tubbergen te gaan om daar “oude contacten” op te zoeken. Ook kreeg hij in die tijd contact met een politieman in Enschede, rechercheur De Groot. Of Bernardus op de hoogte was, dat deze rechercheur (Keimpke de Groot) met de Duitsers samenwerkte o.a. in het opsporen van onderduikers, is mij niet bekend geworden.

Wim in de bezettingstijd
Toen de Duitsers Nederland bezet hadden en zoon Wim, inmiddels in het ziekenhuis in Utrecht lag, kreeg hij al ideeen opgedaan, door medepatienten, zijnde ook gewonde soldaten, om iets tegen de Duitsers te ondernemen. Gezien Wim had meegemaakt, was de haat tegen de Duitsers heel groot.

Toen Wim, na een zeer langdurig herstel, zo goed mogelijk van zijn verwondingen was genezen, probeerde hij zijn leven weer op te pakken, greep af en toe zijn racefiets en ging weer wat voetballen. Zondag’s biljarten in “Ons Huis” aan de Oldenzaalsestraat te Enschede, waar hij via buurjongens terecht was gekomen. Dit was de ontmoetingsplaats van de SDAP.
Wim kwam niet voor politiek. Daar was hij niet geschikt voor. Hij wilde een potje biljarten en meer niet. Uiteindelijk werd hij ingezet voor de opbouwdienst.
Tegenover zijn broer Jan liet hij zich vaag uit dat hij met “iets” bezig was. Met wat wist Jan niet. Broer Jan: "Wim was een stille, zei nooit veel."

Gedurende die oorlogstijd had Jan een ernstige confrontatie met zijn vader.
Vader Bernardus had op een gegeven moment een ernstige ruzie met zijn vrouw, in het bijzijn van zijn, inmiddels 17 jarige zoon. Uiteindelijk kon Jan zich niet meer beheersen en gaf vader een, oplawaai.
Een heel andere reactie dan werd verwacht van vader Bernardus. Hij complimenteerde Jan dat hij voor zijn moeder opkwam. Dat! was zoals hij dat van een zoon verwachtte. “Groot en sterk zijn!”. Hij gaf Jan de hand en het bleef daarbij .

Dat zoon Wim met iets bezig was, dat met het verzet te maken had, was binnen het gezin zo langzamerhand wel duidelijk geworden. Er werd echter niet veel over gesproken en de meningen over de zin en de onzin van verzet, liepen tussen Wim en zijn vader toch al uiteen. Zoals gewoonlijk zag vader alles negatief. Wanneer er al eens over een persoon gesproken werd, was dit alleen een voornaam.

Op een morgen kwam Wim de keuken binnen en legde een juttenzak op het fornuis. Tegen zijn jongere broer Jan zei hij: “Daar moet je niet aankomen, hij is nog heet!”. Later zag Jan dat in die zak een stengun zat.

Moeder Nierkens, die het één en ander in huis meekreeg, gaf nooit commentaar. Ze maakte zich wel ongerust en het enige wat ze af en toe ze was: “Jongens, doe alsjeblieft voorzichtig!”.


Wim ontkwam niet aan de "Arbeitseisatz", waarvoor de Duitsers jonge mannen bij razzia's ronselden. Waarom Wim niet is ondergedoken, is een vraag die open blijft. Zijn jongere broer Jan, dook wél onder wanneer er een razzia gehouden werd. Hij verstopte zich dan onder de vloer van de ouderlijke woning. Gelukkig kwam Wim in het Duitse plaatsje Legden te werken, niet ver van Enschede en kwam (bijna) dagelijks naar huis. Omdat hij in het bezit was van de benodigde reisdocumenten, kon hij zich ook vrijelijk bewegen, ook zelfs in de avonduren.
 
<<<<<                                                                           >>>>>