Wie was Korpschef Berends?

Antonie Berends werd in Deventer geboren op 25 augustus 1907 Zijn vader was fruithandelaar. Antonie had vier broers en één zuster. Uiteindelijk trad hij op 21 juni 1932 in het huwelijk met de even oude Hermina Jansen.

Antonie Berends, begon zijn loopbaan bij de Amsterdamse politie in het jaar 1931 en was aldaar voor vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog onder andere werkzaam bij de kinderpolitie.
Na de bezetting trad hij in augustus 1940 toe tot de N.S.B.
Van mei- tot oktober 1941 werkte hij in Amsterdam bij de afdeling recherche, afdeling politieke tegenstanders en joden.
Voordat hij bij deze afdeling kwam, manifesteerde hij zich al als een pro-Duits politieman door in Amsterdam reeds op 11 november 1940 drie ambtenaren, die anti-Duitse gedichten hadden geschreven te arresteren. Door zijn rustig en koelbloedig optreden wist hij te infiltreren in een verzetsbeweging en deze later van binnenuit op te rollen.
Als gevolg van de goede samenwerking met de bezetter, werd hij al snel tot inspecteur bevorderd.

“Berends was een echte carrièremaker. Hij had maar één doel. Omhoog komen op het laddertje, binnen de politie. Als het moest ging hij daarbij over lijken zelfs over het lijk van zijn beste vriend.” (uitspraak van een gewezen SD kameraad.)
 
Hieronder een aantal van zijn “werkzaamheden” als rechercheur bij één van de bijzondere opsporingsdiensten in Amsterdam:
(uittreksel uit de publicatie: “Dienaren van het gezag. De Amsterdamse politie tijdens de bezetting” van Meershoek, A.J.J. en uit een gepubliceerd gesprek met Ada van Randwijk n.a.v. haar 100e verjaardag.)

In Amsterdam deed hij in het begin van de bezettingsjaren dienst als rechercheur bij een speciale recherchegroep die, in nauwe samenwerking met de Sicherheitspolizei in Amsterdam, jacht maakte op alles wat als “anti Duits” werd gezien. Onder andere werd er opsporing naar medewerkers van illegale krantjes, zoals “Trouw” en “Het Parool” gedaan.
 
In de tweede helft van 1941 werden landelijk lokale politieke recherchediensten opgericht in de politiekorpsen van Groningen, Nijmegen (de “Politieke Dienst” onder leiding van inspecteur W.A. Kaal), Utrecht en bij het parket van de Duitsgezinde procureur-generaal W. de Rijke in Arnhem.
 
In oktober 1941 werden drie rechercheurs van deze bijzondere opsporingsdienst te Amsterdam, onder wie Antonie Berends, bij de politieke recherchedienst, onder leiding van de Sicherheitspolizei in Arnhem, gedetacheerd, om in Gelderland de daders van een reeks brandstichtingen op te sporen.
Als verdacht van deze brandstichtingen, kwam als snel de verzetsgroep “Leeuwengarde” in het vizier, waarop Berends en zijn twee collega´s vervolgens gingen rechercheren.

Hieronder volgt een kort verslag betreffende deze groep: (
www.familieboekvanelisa.nl)
Flip Masselman, een 16 jarige jongeman, was er vast van overtuigd, ooit als militair naam te zullen maken. Een Garde moest verrijzen, een korps gelijk aan dat van de mariniers. Een korps waaruit later de officieren naar voren zouden komen. Zijn devies was: "Trouw aan Oranje", "trouw aan de Garde", “oprecht en onbaatzuchtig dienen tot heil van volk, vorst en vaderland.” Het illegale blad “Vrij Nederland”, inspireerde Flip tot het organiseren van een paramilitaire verzetsgroep. Hij gaf deze groep de luisterrijke naam: Nederlandsche Oranje Vrij Schaar de "Leeuwengarde". Flip had voor de Leeuwengarde een militaire opbouw ontworpen, met zichzelf als "Algemeen Militair Commandant" aan het hoofd.
In september 1941 trad de chemiestudent Gerard Tuynenburg Muys toe tot de Leeuwengarde. Hij ging zich bezighouden met de aanmaak van thermietbommen en ampullen met een licht ontvlambare vloeistof. In het najaar van 1941 werd een aantal door Tuynenburg Muys vervaardigde brandbommen aan enkele Leeuwengardisten ter hand gesteld. Zij voerden er tweemaal een sabotage-aanslag mee uit. De eerste aanslag was op 20 oktober 1941, op een Schnellboot van de Kriegsmarine, gelegen op de werf Gusto in Schiedam. De brandbom werd echter ontdekt en toen deze vervolgens (per ongeluk) toch ontbrandde, kon het vuur snel worden gedoofd. Op 10 november 1941 volgde (weer bij Gusto) een tweede poging van dezelfde aard. Ook deze keer werd de brandbom ontdekt.
Ook Van den Acker (van de Arnhemse tak), leverde via Stemerding en G. van As spionagemateriaal. Wat er met dit materiaal gebeurde is niet duidelijk. Het bereikte Engeland in ieder geval niet. In de loop van 1941 had het "Hoofdkwartier" al bepaald dat de leden van de Leeuwengarde door middel van een duplo-kaartsysteem geregistreerd moesten worden. Of dat toen ook gebeurd is, is niet aannemelijk. Begin 1942 drong P. van As er bij zijn mede-gardist, de politieman Kion, op aan om een kaartsysteem van de leden aan te leggen. Kion was hier om veiligheidsredenen op tegen. Van As zette zijn zin door, maar stemde er wel mee in dat Kion en de door hem verworven leden buiten het registratiesysteem zouden worden gehouden. Van As liet de lijst nu door een andere politieman samenstellen, genaamd Izaak Daane.

Kion schreef hierover in 1946, dat Daane voor het vervoer van en het bij zich hebben van vuurwapens slechts een kleine 14 dagen in Scheveningen had "vast" gezeten en daarna weer op vrije voeten was gesteld. Kion vond dit een bedenkelijke zaak en deelde mede dat hij de ondergang van de Leeuwengarde voorzag. Maar hij werd daarin niet serieus genomen.
Op 9 april 1942 werden ca. 30 personen van de Leeuwengarde gearresteerd. De arrestaties waren al eerder begonnen en vonden ook nadien nog plaats en duurden voort tot in juni 1942.
Eind september 1942 waren de Duitsers op de hoogte van de leidende rol die Flip Masselman in deze verzetsgroep speelde. Een maand later had de Sicherheitspolizei een exemplaar van het wervingspamflet weten te bemachtigen en wist men informatie aan de groep te onttrekken betreffende sabotageaanslagen e.d.

Wellicht waren op dat moment (eind oktober 1941) al handlangers van de Sipo, de Leeuwengarde binnengedrongen. De provocateurs die voor de Sipo de Leeuwengarde waren binnengedrongen (dan wel Gardisten die door de Sipo tot verraad waren gebracht), leverden de groep onder meer wat wapens en sabotagemateriaal. Ook werkten zij mee aan spionageactiviteiten om zo binnen de groep vertrouwen te winnen, deze vervolgens in kaart te brengen en om de leden van de groep zo juridisch te kunnen belasten. Voor zover valt na te gaan was Daane de belangrijkste provocateur, die zowel in de Arnhemse als de Rotterdamse tak van de Leeuwengarde actief was.
Op 6 maart 1942 reed Daane, Huijbers vanuit Arnhem naar Utrecht, waar deze prompt door de Sipo werd ingerekend. In een half jaar was dit de tweede arrestatie binnen de Leeuwengarde. Op 31 maart 1942 werden G. van As en B. Veenstra gearresteerd. De op 9 april 1942 gearresteerde Leeuwengardisten werden merendeels eerst naar de Sipo-Dienststelle aan de Heemraadsingel gebracht. Diezelfde middag nog werden alle arrestanten afgevoerd naar de Scheveningse Strafgevangenis "Het Oranjehotel". Van de Leeuwengarde werden ruim 80 personen gearresteerd, van wie er 35 al snel weer werden vrijgelaten. Tegen de overige bleven verdenkingen bestaan. Tegen 32 personen werd een proces gevoerd. 16 andere verdachten werden meteen naar een concentratiekamp gezonden.
 
In diezelfde periode, dat Antonie Berends in Arnhem bezig was met het oprollen van de eerder genoemde verzetsgroep “Leeuwengarde”, kwam hij begin 1942, enkele medewerkers van het illegale blad “Vrij Nederland” op het spoor. Hij trachtte zelf, maar ook door middel van infiltranten, binnen te dringen in deze organisatie. Bij deze werkzaamheden ontdekte hij agenten van de Britse geheime dienst die in Nederland waren neergelaten om contact te leggen met het verzet. Nadat dit was gemeld aan de afdeling Contraspionage van de Sicherheitspolizei, deden de chef van Berends, genaamd Bakker, in Amsterdam, met zijn mannen, op 5 maart 1942, onder leiding van de chef van de Sicherheitsdienst, een inval in een huis waar één van deze agenten zich zou ophouden. Zij troffen echter niemand aan.
Twee dagen later werd de man, in Arnhem, alsnog door Berends ingerekend.
 
In april1942 arresteerde Berends in het kader van hetzelfde onderzoek verscheidene verspreiders van “Vrij Nederland” en nam tevens belastend materiaal in beslag. Enkele arrestanten legden een volledige bekentenis af. Berends wist één van hen, genaamd, Piet Hoogland, zijnde een verspreider van het blad, zo ver te krijgen, dat hij als informant voor Berends zou gaan werken. De man werd opgenomen in het Binnengasthuis in Amsterdam en in de gelegenheid gesteld om zich aldaar door het verzet te laten 'bevrijden'. Dit gebeurde dan ook.
Hoogland begon inderdaad zijn werkzaamheden voor Berends en nam contact op met Henk Hos, die tot de kerngroep van “Vrij Nederland” behoorde. Van hem hoorde hij van een te houden grote vergadering, waarbij hij ook bij aanwezig zou zijn.
Deze informatie gaf hij door aan de recherchegroep Bakker en zijn mannen.
In het weekeinde van 27 op 28 juni 1942 leidde hij de Sicherheitspolizei naar het buitenhuis van juriste Gesina van der Molen in Noordwijk. Hier hadden de Vrij Nederland medewerkers de grote vergadering belegd. Berends liet hen op weg naar de bijeenkomst schaduwen. Toen de Nederlandse politiemannen binnenvielen, moffelden de aanwezigen illegale blaadjes tussen de kussens van de bank. Ada (Van Randwijk) verborg papieren achter een aan de muur hangende steelpan. Het bleek de aanwezigen, dat de agenten niet op zoek waren naar Henk van Randwijk, maar naar het directe contact van Hoogland, genaamd Henk Hos, doch deze was niet op de vergadering aanwezig.
Toch vertrouwden de agenten het zaakje niet helemaal, en ze besloten iedereen op te pakken. Dit waren vier kopstukken van “Vrij Nederland” onder wie Henk van Randwijk en tevens diens vrouw Ada. Ada werd een dag later weer vrijgelaten. Haar man Henk van Randwijk, werd naar Arnhem overgebracht en door de chef van de Sicherheitspolizei Waker Becker en Berends verhoord. Ada ging, na haar vrijlating weer op de Stadionkade te Amsterdam wonen, omdat het voor haar in Den Haag te gevaarlijk was geworden. Daar kreeg ze na een paar dagen een telefoontje van politieman Antonie Berends, de leider van het arrestatieteam. Hij was tijdens de verhoren diep onder de indruk geraakt van Van Randwijk. Beide mannen hadden nogal wat gemeen. Voor de oorlog waren ze beiden lid van de Christelijk-Democratische Unie. Berends had in de jaren dertig bij de kinderpolitie gewerkt en in die hoedanigheid kende hij Van Randwijk als hoofd van de Eben- Haëzerschool. Het tweetal voerde in de verhoorkamer lange gesprekken over politiek en literatuur.


Berends en zijn Duitse chef meenden evenwel ten onrechte met de vier nog niet de eigenlijke leiding te pakken te hebben en lieten hen dan ook vrij in de hoop alsnog de leiding te kunnen arresteren.
Deze vergissing kwam voort uit een andere infiltratieactie van Antonie Berends. De rechercheur had zich tegenover enkele leden van de clandestiene, paramilitaire Ordedienst (OD) voorgedaan als een geheim agent die in opdracht van de Nederlandse regering in Londen op zoek was naar de leiding van “Vrij Nederland”. Berends had in een tweede gesprek zijn geloofwaardigheid vergroot door hen een Engels machinegeweer te tonen en te verzekeren dat hij meer van dergelijke wapens kon leveren. De OD'ers hadden hem op hun beurt verzekerd dat hun superieuren de eigenlijke leiding over het blad hadden. Zij beloofden hem dat zij voor hem een ontmoeting zouden arrangeren. Het was deze belofte die Becker en Berends aanzette tot de vrijlating van de vier redacteuren van Vrij Nederland.

Op 14 juli 1942 sprak Berends onder het toeziend oog van Becker met vier stafleden van de Ordedienst (OD) in hotel Suisse aan de Kalverstraat te Amsterdam. Na afloop werd het viertal samen met de “Engelse agent Antonie Berends” gearresteerd.
Na de oorlog vertelde één van hen hoe Berends hen tot een bekentenis had aangezet. Aldus deze getuige:

“Tijdens het verhoor werd Berends geboeid binnengebracht, zijn das zat scheef en het haar stond recht overeind op zijn hoofd. Berends wendde zich tot mij en zei: "Zeg maar alles, want wij zijn toch verraden." Toen wendde hij zich tot de rechercheur en zei: "Wanneer ik een verklaring afleg, worden mijn mensen dan goed behandeld?" De rechercheur antwoordde hierop: "Hier wordt iedereen goed behandeld."

Berends en Becker ontdekten tot hun teleurstelling dat zij nog steeds niet de gezochte leiders van Vrij Nederland in handen hadden en het slachtoffer waren geworden van de opschepperij van de OD'ers. Dat zij een maand eerder vier werkelijke leiders van het blad op vrije voeten hadden gesteld, was hun ontgaan.
 
Berends wordt Korpschef, van de politie te Enschede.
Toen op 15 januari 1943, Korpschef van politie te Enschede, V. d. Wal, werd ontslagen ging men naarstig op zoek naar een vervanger. De keuze om één van de officieren van het eigen korps Korpschef te maken, kwam niet ter sprake, alhoewel de rechercheur Keimpke de Groot, wel te kennen had gegeven, om deze functie te willen vervullen. Zelf vond hij dat hij niet voor niets gedetacheerd was geweest bij het bureau der Gevolmachtigde der Nederlandse Politie in den Haag. Maar toch, door de vele klachten over niet meewerkende politiemensen, waarvan er reeds al een aantal waren ontslagen, viel de keuze niet op iemand uit het Korps zelf. Er moest daarom gezocht worden naar een sterk iemand, die de leiding over kon nemen. Via Rauter werd Antonie Berends gevraagd deze functie op zich te nemen. Hij stemde hiermee in, alhoewel hij wist dat zijn werkzaamheden sterk zouden veranderen. Niet meer rechercheren en door middel van informanten en infiltratie, verzetsgroepen oprollen. Hij moest nu laten zien dat hij een onwillig korps de baas kon. Bij zijn aantreden als Korpschef, zal hij er wel voor gezorgd hebben dat hij in de eerste plaats voelsprieten binnen het Korps had. Mensen die hem konden informeren over “onwillige” politiemensen. Verder vertrouwensmensen, met wie hij zaken kon bespreken, die te maken hadden met het opsporen van illegale werkers en onderduikers.
 
Bevel tot het oppakken van studenten.
Op, zaterdag, 6 februari 1943, werd de Nederlandse generaal H.A.Seyffardt, commandant van het Nederlands Vrijwilligerslegioen, door een verzetsbeweging in Den Haag doodgeschoten. In het hele land werden daarna, als strafmaatregel, studenten van 18 jaar en ouder opgepakt en voor tewerkstelling naar Duitsland gedeporteerd.
 
Weigering politiekorps Enschede.
In Enschede kreeg Korpschef Berends van hoger hand het bevel, om ook in Enschede, studenten, in het bijzonder leerlingen van de HBS en scholen voor hoger en middelbaar onderwijs, op te pakken. Toen hij de opdracht gaf om dit uit te voeren, weigerde de meerderheid van de politiemensen hieraan medewerking te verlenen.
De verontwaardiging onder de politiemensen ging zelfs zover dat ongeveer de helft van hen ontslag aanvroeg. Uiteraard viel dit bij de Duitsers helemaal verkeerd. Ze waren vreselijk kwaad over deze gang van zaken en stuurden, de gevolmachtigde van Seys-Inquart, genaamd Broerse, samen met de gewestelijke politiecommandant naar Enschede.
Daar gaven zij Korpschef Berends te verstaan dat de ontslagaanvragen moesten worden geweigerd. Verder zouden de politiemensen die bleven weigeren, ”zware straffen“ krijgen. De ergste raddraaiers zouden, als voorbeeld "de kogel" krijgen en de overige zouden in Duitsland te werk worden gesteld.
De politiemensen wachtten gespannen af, wat het gesprek tussen Berends en de “hoge heren” op zou leveren. Nadat die vertrokken waren, deelde Korpschef Berends de politiemensen mede wat hen te wachten zou staan als zij bleven weigeren en dat over de acceptatie van ontslagen al helemaal niet gesproken kon worden. Dit gehoord hebbende zagen de meeste wel in dat verder verzet zinloos was en trokken hun ontslagaanvrage weer in. Niet alle politiemensen gaven hier aan toe.
Enkelen vluchtten nog diezelfde nacht, doken onder, of gingen vanaf dat moment de illegaliteit in.
Eén ding hadden ze wel bereikt. Zij hoefden niet meer mee met de arrestaties van joden en studenten. Dat zou vanaf dat moment worden gedaan door een speciale dienst (Politieke Dienst ( POD ). Later zou de Duitse politie ook deze taak van de Enschedese politie overnemen.
 
Inspecteur Sanders ontslagen.
De, op dat moment reeds ondergedoken en in de illegaliteit verzeild geraakte, inspecteur van politie te Enschede, Sanders, kreeg op 1 februari 1943, officieel ontslag. Hij was op dat moment reeds landelijk in de illegaliteit bezig. Om toch zijn illegale werkzaamheden uit te kunnen oefenen, moest hij ook reizen kunnen. Daarom maakte hij gebruik van veel schuilnamen, zoals: De Vries, Van Glerum, Schouten, Kuiper, Wolters, Van Dalsum en Hiemstra.
Na de moord op Pieter Kaay, dook Sanders onder in het westen van het land. In een gesprek tussen Berends en Sanders, in een bosperceel nabij Zenderen, droeg Berends, Sanders op om zijn werkzaamheden op het politiebureau ter hervatten, doch Sanders weigerde dit en bleef, ondergedoken, in de illegaliteit voor de CID werken. (boek: de illegalen C. Hilbrink)
 
Berends wordt officieel Kapiteinkorpschef van Enschede.
Op 1 maart 1943, werd het commissariaat van de politie te Enschede officieel opgeheven. De rangen van politiemensen werden aangepast aan die van de staatspolitie. Berends werd benoemd tot kapitein korpschef van politie.
Waarnemend korpschef werd inspecteur van politie 1e klas, eveneens in de rang van kapitein, S.I. van der Wal.
Tot medewerkers, belast met politieke diensten, werden benoemd:
Jan van Limburg (Jan met de Kappen), hoofdwachtmeester, lid van de NSB en chef propagandist van het Rechtsfront.
Keimpke de Groot, opperwachtmeester, lid van de NSB, lid van het Rechtsfront en lid van de Germaanse SS. Nadat De Groot terugkeerde van een stage bij het Derectoraat van politie te Den Haag, werd hij op 1 juni bevorderd tot onderluitenant.
Berends, Van Limburg, de Groot, Van Gent en later ook Kaay, waren vanaf dat moment de vijf bekendste politiemensen, die jacht op onderduikers, joden, alsmede verzetsgroepen maakten.

Uit de voorgeschiedenis van Berends hebt u zelf op kunnen maken dat deze korpschef, als politieman, zeer geraffineerd te werk kon gaan. Dat hij de tijd nam om de juiste momenten af te wachten voordat hij tot arrestaties overging. Hij daarna voortdurend bezig was om gearresteerden over te halen om in de illegaliteit te infiltreren en dat hij zelfs in eigenpersoon als infiltrant had geopereerd. Daarom zal hij zeker zijn “voelsprieten” binnen het Enschedese politiekorps hebben gehad. De Groot en Van Limburg waren overduidelijke voelsprieten, maar ook zijn medewerkers. Veel goedwillende politiemensen maakten een ruime boog om deze twee. Eigenlijk zou het Enschedese politiekorps voor hem een “makkie” moeten zijn, als “wolf in schaapskleren”.
 
Het is teveel om alle “wapenfeiten” die deze lieden verworven hadden op te noemen.
Hieronder een verhaal zoals het er gewoonlijk aan toe ging:
 
Onderduikers verraden. (ontleend aan het boek Enschede 1940-1945 door T.Wiegman)
-Johannes Hofman besloot met zijn schoonvader op 2e paasdag 1943, nog even een biertje te gaan drinken bij café Wennink aan de Steenweg te Enschede. Voordat ze het café binnen liepen maakte Johannes nog even een opmerking over het bordje dat voor een raam van dit café hing met daarop de woorden: “Verboden voor Joden”. Johannes zei vervolgens tegen zijn schoonvader:
“Laten we maar niet naar binnen gaan, want ik ben ook een jood”. Johannes maakte die opmerking alhoewel hij helemaal geen jood was. Hij had wel een donker uiterlijk en zou er voor door kunnen gaan. Hij voegde er nog aan toe dat hij wel wist waar vermoedelijk joden ondergedoken zaten.
Omdat zijn schoonvader nogal hardhorend was, vond dit gesprek op luide toon plaats.
De fanatieke NSB wethouder van de gemeente Enschede Wevers, liep juist op dat moment langs het café. Hij bleef even stil staan om het gesprek goed mee te krijgen. Hij hoorde de mannen praten over “het ondergedoken zijn”. Hij probeerde het gesprek zo onopvallend mogelijk mee te krijgen en hoorde dan dat het om “ondergedoken joden” ging. Wevers meende meteen actie te moeten komen en belde de politiekorpschef Berends. Deze liet er geen gras over groeien en een kwartiertje later kwam hij, samen met Jan van Limburg, in zijn dienstauto voorrijden.
Johannes Hofman werd door Wevers aangewezen als de man die zou weten waar joden ondergedoken zaten. Hofman werd door Berends en Van Limburg gearresteerd.
Het verhoor vond in de auto plaats, maar Hofman ontkende dat hij wist waar joden ondergedoken zaten. Dan kreeg hij te horen dat hij kort daarvoor hierover hardop gesproken had. Schoorvoetend vertelde hij toen dat er vermoedelijk bij de buren van zijn zus, joden ondergedoken zouden zitten.
Samen met Jan van Limburg stelde Berends vervolgens een nader onderzoek in.
De joodse meisjes Bertha en Ella Meijers werden op dat onderduikadres gevonden.
Beide meisjes, 16 en 17 jaar, werden op transport gesteld naar het concentratiekamp Sobibor en vonden daar reeds op 7 mei 1943 de dood. Dit was 14 dagen nadat ze op het onderduikadres werden ontdekt.
 
-Op donderdag, 8 april 1943, kwam bij de familie Scheer aan de Van Riebeekstraat te Enschede een meteropnemer van de gemeente Enschede en gaf te kennen dat hij de stroommeter op wilde nemen. Tijdens zijn werkzaamheden, zag hij een aantal personen in de keuken, die snel via een luik, onder de vloer verdwenen. Hem was duidelijk dat het hier om “onderduikers” ging en vond dit belangrijk genoeg om dit aan de politie door te geven.
Op het politiebureau deelde hij zijn waarnemingen mee aan politieman Van Limburg.
Om zelf niet verraden te worden, vroeg de meteropnemer om discretie om bij de inval niet direct naar het luik te lopen. Dan zou men weten wie de verrader was. Met deze informatie ging Van Limburg naar zijn chef Berends. Om de meteropnemer van dienst te zijn, besloten Berends en Van Limburg, een paar dagen te wachten, met de arrestatie.
Op, dinsdag, 13 april, ging een arrestatieteam, onder leiding Berends en Van Limburg in de richting van de Van Riebeekstraat in Enschede. Uiteindelijk kwamen ze bij het luik in de keuken. Mevrouw Scheer, die aan het strijken was, deed zeer nerveus. Berends zag dat en zei tegen haar: "Blijf maar rustig, het is toch een aangegeven zaak". Nadat het kelderluik werd geopend sommeerde Berends, de in de schuilkelder aanwezigen, naar boven te komen. In totaal kwamen zeven joden tevoorschijn, afkomstig uit Borculo, Groenlo, Doetinchem en Amsterdam. De hoofdbewoner van het pand, Hein Scheer, werd tevens gearresteerd en afgevoerd. Die dag werden nog drie joden gearresteerd op hun schuiladres aan de Beukinkstraat 7 te Enschede. De hoofdbewoner, genaamd Wouter van der Brand werd ook gearresteerd en afgevoerd.
 
De meteropnemer ontkende na de oorlog pertinent dat hij ooit onderduikers had aangegeven. Maar Van Limburg en Berends bevestigden dat hij wel degelijk de zaak bij hen had aangebracht. Geen van de zeven joden die bij de familie Scheer werden aangetroffen zijn teruggekomen uit de kampen.
 
Politieman Van Gent tipt zijn chef…
Een politieman die het goed met korpschef Berends kon vinden was de pro- Duitse rechercheur Van Gent. Het was in begin van het jaar 1944, dat de eerder genoemde opperwachtmeester Van Gent, de Korpschef Berends tipte, dat inspecteur Bruining van de Enschedese politie en mr. J. W. A. van Hattum van de gemeentesecretarie, bezig waren met het voorbereiden van maatregelen, die na de bevrijding getroffen zouden moeten worden. Berends, die besloot om tot arrestatie over te gaan, greep mis omdat beiden voordien al getipt waren en direct onderdoken.
 
Korpschef Berends haalt nog een joden jager naar Enschede.
Korpschef van politie te Enschede, Berends had nog steeds goede contacten in Amsterdam. Zo kende hij, de in het jaar 1904 in Almelo geboren, Pieter Kaay. Ook deze Kaay, politieman in de rang van opperluitenant, had goede zaken gedaan met de Sicherheitsdienst door het jagen op joden en onderduikers en het oprollen van een groep, die een overval had gepleegd. Hij had daardoor een goed aanzien bij de Duitsers gekregen.
Hij maakte het in Amsterdam echter op het laatst zo bont, dat hij zich daar niet meer veilig voelde. Hij was bang dat er vandaag of morgen een aanslag op zijn leven plaats zou vinden. Berends stelde hem voor om naar Enschede te komen en daar zijn "goede" werk voort te zetten.
Op 15 april 1943, werd Kaay in Enschede aangesteld als opperluitenant van politie.
Daarna had hij het in korte tijd voor elkaar om reeds de dood van tien Enschedese joden op zijn geweten te hebben.
 
De april/mei stakingen. (boek Enschede 1940 – 1945 auteur: T. Wiegman)
Als gevolg van de bekendmaking dat militairen terug in krijgsgevangenschap moesten, gooiden de arbeiders het bijltje er bij neer. De staking begon spontaan, van fabriek op fabriek en sloeg zelfs over op de gemeentelijke diensten. Ook boeren staakten en brachten geen melk meer naar de melkfabriek. Alleen de trein bleef gewoon doorrijden.
De weigering om aan arrestaties deel te nemen had voor de Enschedese politie het gevolg dat zij hieraan niet deel hoefden te nemen. Zouden de Duitsers deze keer weer zo coulant blijven?
 
Uitgaansverbod. (Boek Enschede 1940-1945 T Wiegman)
Allereerst kondigden de Duitsers op 31 april 1943, een uitgaansverbod af. Het werd verboden om zich na 20.00 uur, op de openbare weg te bevinden. Tevens werden sportwedstrijden, waar publiek tezamen kwam, verboden. Toch konden de mensen het niet laten om de aanplakbiljetten, met daarop de bevelen en verboden, 's nachts af te scheuren.
In de avond van de 1e mei 1943, na de afkondiging van het uitgaansverbod, raasden Duitse patrouilles door de stad, en schoten in het rond om de mensen schrik aan te jagen.
-Te omstreeks 19.20 uur, stond voor zijn woning aan de Deurningerstraat 261 te Enschede, de bewoner; Hein Slotboom. Hij was 28 jaar. Omdat het nog geen acht uur was, stond hij daar rustig om te kijken wat er allemaal gebeurde. Er kwam een Duitse politiepatrouille aanrijden, een schot ging af, waarna Hein werd getroffen.
-Die avond werd Steven Heideman, oud 53 jaar, wonende aan de Lippinkhofsweg 14, in de omgeving van zijn woning, door een schietende Duitse patrouille doodgeschoten.
-Gerhard Engelbertus ten Donkelaar, 18 jaar, wonende aan de Lage Bothofstraat 168, ging door zijn jonge geestdrift en nieuwsgierigheid wat er allemaal gaande was, even buiten kijken. Direct werd op hem geschoten, waarna hij in paniek achter de woning, perceel Lipperkerkstraat 249 vluchtte. De Duitsers achtervolgden hem, waarna hij in de tuin van genoemd perceel werd doodgeschoten.

Zelfs politiechef Antonie Berends, begreep dat de Duitsers het meenden en dat de bevolking, zich er nog niet van bewust was, dat de Duitsers, niets ontziend, iedereen na 20.00 uur, op straat neer schoten.
In de voornamelijk uit arbeiders bestaande wijken Pathmos, Stevenfenne en De Braker, waar nog veel mensen op straat waren, reed hij, samen met hoofd-inspecteur Bruining rond en waarschuwden de mensen om naar binnen te gaan.
Bruining: "Mensen, jullie beschouwen het als een grapje, maar er zijn al doden gevallen, want de Duitsers schieten maar raak. Dit is de reden waarom ik zo optreed. Straks komen de Duitsers en beginnen te schieten en dan vallen er werkelijk slachtoffers!”
In de nacht van zaterdag 1 mei op zondag 2 mei werden 44 inwoners van Enschede, opgepakt. Enkelen werden zondag weer vrijgelaten, terwijl de overgeblevenen naar het strafkamp Vught overgebracht werden.
Op maandag 3 mei 1943 was de staking weer voorbij en het werk bijna overal hervat.
 
Opmerking: Hieruit blijkt wel dat zelfs korpschef Berends geen invloed op de Duitsers, die willekeurig mensen in de stad aan het vermoorden waren, uit kon oefenen. De toch wel intelligente Berends moet de handelingen van de Duitsers toch ook als zinloos hebben gezien.
Eigenlijk konden de Duitse instanties, door al deze stakingen, de situatie niet aan en reageerden daardoor met hun uiterste middel. “De doodstraf”.
 
Pieter Kaay wordt vermoord.
Op zaterdag 3 juli 1943, in de ochtend, wordt Pieter Kaay door een pistoolschot om het leven gebracht. U kunt tot in details op deze site lezen wat mij over deze moord ter kennis is gekomen.
De Sicherheitspolizei neemt al snel de zaak van de politie over, doch kan geen dader aanhouden. Uit het onderzoek resumeert de Sicherheitspolizei het volgende:
“De dader was goed op de hoogte met het woonadres van het slachtoffer. Hij had de situatie vooraf goed verkend en wist het tijdstip waarop Kaay zich per fiets naar het politiebureau zou begeven. Hij had zijn observatiepunt zo gekozen, dat hij, zittende op zijn fiets, welke in de rijrichting van het slachtoffer stond, het slachtoffer zo snel mogelijk, al fietsende kon bereiken. Vanuit zijn positie op de hoek van de J.P.Sweelinckstraat - Varviksweg, kon hij de woning van Kaay goed in de gaten houden. Op de bewuste morgen had hij zijn post al om 07.30 uur betrokken. Kaay werd neergeschoten met een 9 mm automatische revolver.”

Lijfwacht.
Nadat Pieter Kaay was vermoord begon korpschef Berends er over na te denken dat hij ook wel eens in aanmerking kon komen voor een soortgelijke aanslag op zijn leven. Uiteindelijk hadden Kaay en Berends, in Amsterdam, dezelfde werkzaamheden gedaan.
Daarom richtte hij, naast zijn kantoor, een kamertje in waar hij een politieman als persoonlijke “lijfwacht” wilde hebben. Alleen de juiste keuze moest nog worden gemaakt. Het zou een collega moeten zijn die hij voor honderd 100% kon vertrouwen. Hij zou deze politieman zwaar bewapenen en alle bezoeken aan hem zouden eerst via deze politieman moeten lopen. Omdat Berends, de op 12 augustus 1940 aangestelde agent, Antonie van Essen nog kende van een boks clubje uit Deventer, benoemde hij hem als zijn persoonlijke lijfwacht. Misschien was het voor Berends ook wel een vertrouwde naam “Van Essen”. Want de moeder van Antonie Berends was genaamd: Gerritdina van Essen.

Veel collega´s van Antonie van Essen, moesten, na zijn aanstelling als lijfwacht (sommigen zeiden “koerier”) niets meer van hem hebben. Zelfs jaren na de oorlog wilden zij er niet over spreken.

Zoals gezegd, zat het Berends in de genen om informatie in te winnen en te infiltreren in verzetsbewegingen. Nu hij als Korpschef was aangesteld, zou hij die werkzaamheden moeten laten? Alleen nog simpel aangegeven onderduikers op halen? Er was toch veel meer en interessanter werk te doen? Regelmatig zal hij met de chef van de SD Schöber overleg hebben gehad.
Antonie van Essen, kon als het ware een dagboek aanleggen over bezoeken aan Berends variërende van politiemensen die voor zakelijkheden kwamen. Maar ook mensen van de SD, op zijn hand zijnde NSB politiemensen en verraders uit de burger bevolking. Hij kon nauwkeurig in kaart brengen wie en waarvoor bezoekers bij Berends kwamen. Helaas kan ik niets vinden waaruit blijkt dat door hem informatie aan het verzet werd doorgespeeld. Toch zal dit wel gebeurd zijn, anders zal hij niet voor de vergadering aan de Sumatrastraat zijn uitgenodigd.
 
Maar: Antonie Berends, was een ervaren speurder, die gebruik maakte van al zijn zintuigen en mensen als zijn gereedschap voor hem liet functioneren. Antonie van Essen, was ook een stuk gereedschap van hem. Hij kon hem op die post eigenlijk alles laten doen zonder dat Van Essen ook maar iets kon weigeren. Ook zal Berends hem gebruikt hebben als graadmeter over de stemming binnen het korps en over de politiemensen, die het meeste dwars lagen of mogelijk voor de illegaliteit bezig waren. Hoe zou hij zich in gesprekken met Berends verhouden hebben? Volgens mij was dit voor hem, als hij illegale werker zou zijn, een onmogelijke positie. Veel politiemensen zagen dit op den duur in. Onder andere de eerder genoemde inspecteur Sanders, zag geen mogelijkheid meer om normaal binnen het korps te functioneren en tegelijkertijd illegaal bezig te zijn.
 
Antonie van Essen zou deel uitmaken van een verzetsgroep en had met de leiding van zijn verzetsgroep overlegd wat hij zou moeten doen; de korpschef toch een keer “omleggen”, of de post van een persoonlijk lijfwacht aanvaarden.
De verzetsleiding kwam kennelijk tot de conclusie, dat Van Essen op die post van alles te weten kon komen over speurtochten naar Joden, aanstaande razzia´s en ander acties tegen de burger bevolking.
Om die reden zou Van Essen de opdracht als lijfwacht aanvaard hebben.
Wat hij overdag gewaar werd van acties tegen de bevolking, berichtte hij ´s avonds aan zijn verzetsgroep, die er vervolgens zorg voor droeg dat de onderduikers weg waren als de Gestapo of de politie verscheen.”
 
Opmerking: Mijn vraag aan u beste lezer. Alles over de voorgeschiedenis van Berends gelezen hebbende, zou u zijn persoonlijke lijfwacht binnen de top van een verzetsorganisatie toe laten? Als hij al informatie wilde verstrekken aan de verzetsbeweging, zou een normale verzetsmedewerker niet op het idee komen, om de door Van Essen verstrekte informatie, via slechts één contactpersoon te laten lopen, die ook op zijn beurt, voor Van Essen, anoniem zou blijven? Van Essen was op deze positie toch een enorm kwetsbaar persoon. Vooral bij een ervaren speurder als Berends. Mochten er zaken door Van Essen doorgegeven zijn dat op bepaalde plaatsen, data en tijdstippen, invallen gedaan zouden worden en als dan meerdere keren werd geconstateerd dat er geen onderduikers (meer) aanwezig waren, dan zou bij Berends toch snel de vraag komen: “Hoe kan dat? Wordt de zaak verraden? Maar door wie? Al heel snel zou de naam Van Essen dan ook voorbij komen.
 
(5 juli 2008 Dagblad Tubantia)
Evert Hemken, die op 26 oktober 1942, als administrateur bij het Enschedese politiekorps werd aangesteld, verklaarde over zijn werkzaamheden op het Enschedese politiebureau in de bezettingstijd:
“Zelf heb ik zitten knoeien met identiteitspapieren. Op een gegeven moment werd mijn huis doorzocht. Nee, er werd niets gevonden. Ik was alleen op het bureau actief omdat daar de spullen lagen die ik daarvoor nodig had. Je moest wel uitkijken toen Berends als NSB-commissaris werd benoemd. Hij stelde meteen een paar vazallen aan, onder meer twee vrouwen die bij mij op personeelszaken kwamen te werken."

De bevrijding.
Wie er na de bevrijding zouden worden opgepakt werd bepaald op de avond van 1 april 1945. Dit zouden in ieder geval inwoners van Enschede zijn die met de vijand hadden geheuld.
Daartoe kwamen in het politiebureau vertegenwoordigers bijeen van de gemeentepolitie onder wie waarnemend commissaris Bruining, Evert Hemken als administrateur, commandant van de Ordedienst (OD) Van der Wal en Piet Alberts, die als lid van de Landelijke Knokploegen en de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) vertegenwoordigde.
Er werd een lijst opgesteld met de namen van een honderdtal personen. Als opvang zou het slachthuis fungeren. De politie moest zorgen voor arrestatieteams terwijl leden van de Binnenlandse Strijdkrachten voor de bewaking verantwoordelijk waren.

Omdat de politie in de vijf bezettingsjaren bij veel burgers gezien werd als uitvoerende macht voor de Duitsers, wantrouwde deze laatste groep de politie en verrichte vaak eigenhandig en willekeurig arrestaties. Daardoor werden er veel meer dan honderd mensen binnengebracht. Het slachthuis werd te klein. Nog diezelfde dag werden de gevangenen overgebracht naar de textielfabriek van Scholten aan de Haaksbergerstraat te Enschede. Er werden slaapplaatsen gemaakt en bij boeren stro gevorderd.
Hemken: “Het ging niet altijd van een leien dakje. Leden van de BS haalden bij wijze van wraak een twintigtal gevangenen uit het kamp en lieten ze strafoefeningen doen. Wie niet meer kon kreeg een trap voor z'n kop. Ik heb toen ingegrepen, onder dreiging dat de personen die deze praktijken uitoefenden gearresteerd zouden worden."
Maar In de dagen voorafgaande aan de bevrijding namen diverse foute politiemensen reeds de benen.
De NBS-leden kregen ook niet de kans om Korpschef Berends, te arresteren.
Hij zag kans, met zijn familie te vluchten, naar het noorden van Nederland en hield zich in de stad Groningen op. Hier hadden de Duitsers het nog voor het zeggen en waande hij zich veilig. Toch werd hij enige tijd later, na de bevrijding, gearresteerd en overgebracht naar de NSB gevangenis in Enschede.
Evert Hemken sloot hem persoonlijk op in de fabriek van Scholten die dienst deed als tijdelijk opvangcentrum. Aldus Hemken: "Maar niet iedereen werd gegrepen. Een aantal mensen is in de duisterheid verdwenen."

Opmerking:
Volgens de heer D. Fontein, die op 29 december 2013, met mij contact had opgenomen, om informatie over Berends te vragen, werd Berends toen hij eenmaal in de NBS-gevangenis in Enschede zat, ontvoerd. Als voetnoot is deze informatie te vinden in het boek “De Ondergrondse” van C. Hilbrink en luidt als volgt:
 
''Na de bevrijding is Berends door drie leden van de NBS, onder wie Dirk Kloos, ontvoerd en gedwongen een rapport te schrijven over zijn functioneren bij de politie. Bevreesd dat men hem zou vermoorden heeft Berends hierin uitgebreid verslag gedaan van zijn opsporingsactiviteiten in Amsterdam, Deventer en Enschede. In zijn rapport staan behalve allerlei affaires, zoals over de moord op de Enschedese politie-inspecteur Pieter Kaay, ook een aantal Enschedese collaborateurs en hun activiteiten beschreven. Het verslag van Berends is aan het voormalig hoofd van de Dienst Opsporing van het Bureau Nationale Veiligheid, Wim Sanders, ter hand gesteld en bevindt zich in het archief van de auteur.''
Tot zover het citaat.

Aldus de heer Fontein: Ik heb mij destijds - al meer dan 10 jaar geleden! (omstreeks 2003)- tot de auteur gewend die mij heeft laten weten dat de ontvoering niet elders beschreven is en dat het rapport alleen ter inzage is ''om reden van een overtuigend aangetoond wetenschappelijk doel''.

Mijn opmerking: Mijns inziens is er niets wetenschappelijks aan deze “onwettig” verkregen informatie, wetende dat zich met het onderzoek in deze, een officiële commissie bezig ging houden, waarop een gerechtelijk oordeel zou volgen.
Wat is er de meerwaarde van dat de heer C. Hilbrink deze informatie voor zichzelf houdt?
Maar ik zal er wel anders in steken dan dat hij doet. Ik heb bijna alle door hem geschreven boeken gelezen. Ik weet hoeveel werk dit is en heb diep respect voor hem. Ik heb ook veel van zijn werken gebruikt als informatiebron. Waarom behandelt hij bijvoorbeeld in zijn boek “Vogelvrij verleden” tot in detail over Ria Hermans en gaat als het ware de strijd aan met een journalist, die er anders over heeft geschreven en laat hij het door korpschef Berends “onder dwang” geschrevene, ongebruikt in zijn lade liggen? Alle betrokken personen zijn inmiddels overleden, dus niets staat hem meer in de weg.
Wat is het doel van deze actie geweest?  Nu twee en zeventig jaar na de oorlog, nu er al veel stemmen opgaan om de herdenkingen maar achter ons te laten, om reden de generaties na ons niet te belasten, is het toch niet zo vreemd dat waarheden eindelijk eens boven tafel komen?
Je krijgt dan ook niet meer zoveel vraagtekens die telkens opgeroepen worden zoals bijvoorbeeld het artikel van Jan Cremer in het dagblad Tubantia (24 mei 2014.) naar aanleiding van een over de Scholtenfabriek geschreven boek.
Volgens Jan Cremer, die zelf als 5-jarig kind met zijn moeder in de fabriek van Scholten werd opgesloten, vonden in het kamp mishandelingen plaats.

„Zoals elke familie wel een donkere bladzijde in haar geschiedenis heeft, is dat voor zijn familie waarschijnlijk kamp Scholten. Geen woord over dit beruchte kamp in hun fabriek aan de Haaksbergerstraat, waar in 1945 een half jaar lang zo’n 1.500 geïnterneerden door het rapalje van de BS” (Binnenlandse Strijdkrachten, red.) - het naoorlogs verzet - in erbarmelijke omstandigheden werden opgesloten en mishandeld. Waar persoonlijke afrekeningen werden vereffend en het gajes de knuppel hanteerde.”
 
Mijn vraag blijft over: „Was Piet Alberts op de hoogte van de ontvoering van Berends? Wist hij van de mishandelingen en dergelijke zaken die plaats vonden in de fabriek van Scholten? Hij was als commandant van deze gevangenis verantwoordelijk voor alle daar ondergebrachte gevangenen.
Dirk Kloos was volgens mij, opmakende uit de woorden van Ben ter Kuile, kort voor de bevrijding, de leider van de z.g. Militaire Politie. Dit blijkt trouwens niet uit de in die tijd opgestelde organisatiestructuur. Daar wordt in de NBS-structuur de inspecteur van politie Bergsma genoemd. Dit zal dan kort voor de bevrijding wel ad hoc geregeld zijn.”
 
Enkele maanden later werd het Oude mannen- en vrouwenhuis aan de Molenstraat ingericht als tijdelijke gevangenis. Toen ook deze locatie te klein bleek werd een gebouwencomplex op de vliegbasis als zodanig ingericht. Dat stond bekend als Bewaringskamp Twente. Hier hebben meer dan duizend mensen uit de regio vast gezeten.
Aldus Hemken: In maart 1946, droeg het Militair Gezag zijn bevoegdheden op het gebied van de bijzondere rechtspleging over aan het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging. Dat werd begin 1949 opgeheven. Een jaar eerder was het Bewaringskamp gesloten."
 
Ik ga weer verder met Berends: (Een artikel overgenomen uit het Dagblad Tubantia 25-4-1947)

Foto uit het boek Enschede 1940 - 1945 van T. Wiegman

In de zaak contra rechercheur Van Gent, gehouden door het bijzonder Gerechtshof te Almelo, op 25 april 1947, wordt Berends als getuige opgeroepen. Uit de figuur, die daarop wordt binnengebracht herkent men niet meer de ex-korpschef Berends. Met holle ogen, diepliggend in de weggezonken oogkassen, kijkt hij de zaal in.
Nog even probeert hij zich flink te houden als hij binnen komt: "Morning", mompelt hij half binnensmonds als hij enige gezichten herkent, maar eenmaal voor het hekje staand, is hij vrijwel een gebroken man, die zachtjes en half apathisch antwoord geeft op de vragen, die hem door de president worden gesteld. Hij draait er niet omheen, weet zich alles niet direct meer tot in details te herinneren, maar als hij even op weg geholpen wordt weet hij toch weer precies waar het om gaat. Hij heeft blijkbaar niets meer te verliezen:
Met doffe stem zegt hij: "Van Gent heeft mij de namen van Van Hattum en Bruining genoemd en die heb ik beiden doorgegeven aan de SD.
Pas na die tijd heb ik er met Sanders over gesproken.
Daarmee is de zaak afgedaan, doch de verdediger blijft de mening toegedaan dat het beter ware geweest wanneer ook Sanders was gehoord, omdat deze in de hele zaak een belangrijke rol heeft gespeeld.
 
Antonie Berends werd in oktober 1948 veroordeeld tot levenslang, in 1958 werd hem gratie verleend en werd hij ''op jaren gesteld''. (Het huidige TBS) Uiteindelijk kwam hij in december 1960 vrij. In het jaar 1967 emigreerde hij met zijn familie naar Zuid Afrika, alwaar net als zijn vader in Deventer, als fruithandelaar heeft gewerkt.
Hij overleed op 27 september 1971 in Randburg (Zuid Afrika) aan een hartaanval. Hij was toen 64 jaar.


 De bron van deze foto kan ik helaas niet meer achterhalen.

 

 
 <<<<<<<<één page terug                                          >>>Terug naar de homepage